Zoom out
Zoom in
Previous page
1/291
Next page
ALFA
156
INSTRUCTIEBOEK
604.31.037 NL
1


Need help? Post your question in this forum.

Forumrules


Content of pages


  • Page 1

    INSTRUCTIEBOEK 604.31.037 NL ALFA 156 ...
  • Page 2

    Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Alfa Romeo hebt gekozen. Zoals iedere Alfa Romeo is uw Alfa 156 ontworpen om maximale veiligheid, comfort en rijplezier te garanderen. Dit instructieboekje helpt u snel vertrouwd te raken met de eigenschappen en de werking van uw auto. De volgende pagina’s bevatten de volledige informatie waarmee u maximaal kunt profiteren van uw Alfa 156. Bovendien zult u belangrijke aanwijzingen vinden voor uw veiligheid, het in conditie houden van de auto en milieubewust autorijden. In het boekje “Alfa tot uw dienst” vindt u het garantiecertificaat en de bijbehorende voorwaarden en een overzicht van de speciale aanvullende service voor Alfa Romeo-cliënten. Want wie een Alfa Romeo koopt, koopt niet alleen een auto, maar ook de rust van een uitgebreide ondersteuning en een efficiënte, snelle en wijdvertakte organisatie. Wij herinneren u er bovendien aan dat Alfa Romeo hard heeft gewerkt een zeer ambitieus doel te bereiken: 100% recycling. Als ...
  • Page 3

    Bij vragen of problemen op servicegebied dient u zich bij voorkeur te wenden tot de dealer die de auto heeft verkocht, hoewel u voor onderhoud of reparatie natuurlijk op iedere Alfa Romeo-dealer een beroep kunt doen. Het boekje “Alfa tot uw dienst” Bij elke nieuwe auto ontvangt de eigenaar het boekje “Alfa tot uw dienst”, waarin alle diensten zijn omschreven waar u recht op hebt. In het boekje is ook het garantiecertificaat opgenomen met een complete vermelding van de bijbehorende voorwaarden. Verder treft u in dit boekje een schema aan voor het registreren van de uitgevoerde onderhoudsbeurten. Wij adviseren u de voorgeschreven onderhoudsbeurten tijdig door een Alfa Romeo-dealer te laten uitvoeren. Regelmatig onderhoud is een essentiële voorwaarde voor een lange levensduur van de diverse mechanische componenten en zorgt ervoor dat uw Alfa Romeo voortdurend optimale prestaties levert bij een laag brandstofverbruik. Naleving van de onderhoudsvoorschriften is ook vereist om aansp ...
  • Page 4

    DE SYMBOLEN IN DIT BOEK Op deze pagina zijn de symbolen afgebeeld die in dit boekje worden gebruikt om de aandacht te richten op een bepaald onderwerp. VEILIGHEID VAN DE INZITTENDEN Attentie. Het niet of gedeeltelijk opvolgen van deze instructies kan gevaar opleveren voor de inzittenden. BESCHERMING VAN HET MILIEU Aanwijzing voor het juiste gedrag, zodat het gebruik van de auto zo min mogelijk schade aan het milieu oplevert. CONDITIE VAN DE AUTO Attentie. Het niet of gedeeltelijk opvolgen van deze instructies schaadt de conditie van de auto en zal in veel gevallen ook de garantie doen vervallen. 3 ...
  • Page 5

    SYMBOLEN Op of in de nabijheid van enkele onderdelen van uw Alfa 156 zijn plaatjes met een bepaalde kleur aangebracht met daarop symbolen die uw aandacht vragen en die voorzorgsmaatregelen aangeven die u in acht moet nemen als u met het betreffende onderdeel te maken krijgt. Hierna volgen kort samengevat de symbolen die vermeld staan op de plaatjes die op uw Alfa 156 zijn aangebracht met daarnaast het onderdeel waarop het symbool betrekking heeft. Bovendien zijn de symbolen naar betekenis in groepen onderverdeeld: gevaar, verbod, waarschuwing en verplichting. SYMBOLEN DIE GEVAAR AANDUIDEN Accu Corrosieve vloeistof. Accu Ontploffingsgevaar. Ventilateur Kan automatisch inschakelen, ook bij stilstaande motor. Expansiereservoir Draai de dop niet los als de koelvloeistof nog heet is. Bobine Hoge spanning. 4 ...
  • Page 6

    Riemen en poelies Bewegende delen; niet dichtbij komen met lichaamsdelen of kledingstukken. Hitteschilden - riemen - poelies ventilateur Niet aanraken. AI Slangen van de airconditioning Niet openen. Gas onder hoge druk. RBAG Airbag passagierszijde Plaats geen kinderzitjes op de passagiersstoel voor. WAARSCHUWINGSSYMBOLEN Krik Raadpleeg het instructieboekje. VERBODSSYMBOLEN Katalysator Parkeer niet boven brandbare materialen. Raadpleeg de paragraaf “Voorzorgsmaatregelen voor het behoud van de emissiereductiesystemen”. Accu Niet dichtbij komen met open vuur. Stuurbekrachtiging De vloeistof in het reservoir mag het maximum niveau niet overschrijden. Gebruik uitsluitend de vloeistof die is aangegeven in de “Vullingstabel”. Accu Houd kinderen op afstand. Remcircuit De vloeistof in het reservoir mag het maximum niveau niet overschrijden. Gebruik uitsluitend de vloeistof die is aangegeven in de “Vullingstabel”. 5 ...
  • Page 7

    VERPLICHTINGSSYMBOLEN Ruitenwissers Gebruik uitsluitend de vloeistof die is aangegeven in de “Vullingstabel”. Accu Bescherm de ogen. Motor Gebruik uitsluitend de smeermiddelen die zijn aangegeven in de “Vullingstabel”. Auto rijdt op milieuvriendelijke benzine Tank uitsluitend loodvrije benzine met een octaangetal van ten minste 95 RON. DIESEL Auto rijdt op diesel Tank uitsluitend dieselbrandstof. Expansiereservoir Gebruik uitsluitend de vloeistof die is aangegeven in de “Vullingstabel”. 6 Accu - Krik Raadpleeg het instructieboekje. ...
  • Page 8

    INHOUD GEREED VOOR VERTREK WEGWIJS IN UW AUTO CORRECT GEBRUIK VAN DE AUTO NOODGEVALLEN ONDERHOUD VAN DE AUTO ALFA 156 TECHNISCHE GEGEVENS ACCESSOIRES MONTEREN ALFABETISCH REGISTER 7 ...
  • Page 9

    De teksten, afbeeldingen en technische gegevens in dit boekje zijn gebaseerd op de stand van zaken bij het ter perse gaan van dit instructieboekje. In het voortdurende streven de kwaliteit van haar producten te verbeteren, behoudt Alfa Romeo zich het recht voor te allen tijde, zonder voorafgaande kennisgeving, wijzigingen in de technische specificatie en de uitrusting door te voeren. Wendt u voor meer informatie tot een Alfa Romeo-dealer. 8 ...
  • Page 10

    GEREED VOOR VERTREK Op de volgende pagina’s vindt u alle informatie die u nodig hebt voor een correct gebruik van de auto. Binnen enkele minuten kunt u zich vertrouwd maken met de belangrijkste bedieningsorganen, controlelampjes en instrumenten waarmee uw nieuwe auto is uitgerust. Voor de rijveiligheid is het noodzakelijk ook de daarop volgende hoofdstukken in dit instructieboekje te raadplegen. DASHBOARD ............................................................................................ pag. ALFA ROMEO CODE ......................................................................................... DIEFSTALALARM ................................................................................................ 10 11 13 CENTRALE PORTIERVERGRENDELING MET AFSTANDSBEDIENING .. START-/CONTACTSLOT .................................................................................... BUITENSPIEGELS ........................................................................ ...
  • Page 11

    P4U00001 DASHBOARD fig. 1 1 Uitstroomopeningen zijkant. 2 Luchtroosters voor ontwasemen/ontdooien zijruiten voor. 3 Luchtroosters boven aan zijkant. 4 Bedieningshendel buitenverlichting. 5 Snelheidsmeter-kilometerteller. 6 Checkpanel. 7 Toerenteller. 8 Bedieningshendel ruitenwissers voor/achter. 9 Brandstofmeter. 10 Luchtroosters midden. 11 Luchtrooster boven. 12 Klokje. 13 Koelvloeistoftemperatuurmeter. 14 Autoradio. 15 Airbag passagierszijde. 16 Dashboardkastje. 17 Bedieningsorganen voor de verwarming, ventilatie en airconditioning. 18 Asbak en aansteker. 19 Schakelaar voor waarschuwingsknipperlichten. 20 Temperatuursensor. 21 Start-/contactslot. 22 Hendel voor stuurwielverstelling. 23 Airbag bestuurderszijde en claxon. 24 Hendel voor motorkapontgrendeling. 25 Bedieningsorganen: verlichting instrumenten, op nul zetten dagteller/weergave buitentemperatuur en koplampverstelling. 10 ...
  • Page 12

    DE SLEUTELS P4U00415 Voor een nog betere bescherming tegen diefstalpogingen is de auto uitgerust met een elektronische startblokkering (Alfa Romeo CODE). Het systeem schakelt automatisch in als de contactsleutel wordt uitgenomen. In de handgreep van de sleutels bevindt zich een elektronisch component, dat bij het starten van de motor een signaal ontvangt via een speciale antenne die in het start-/contactslot is ingebouwd. Dit signaal wordt omgezet in een gecodeerd signaal en vervolgens aan de regeleenheid van de Alfa Romeo CODE gezonden, die, als de code wordt herkend, het starten van de motor mogelijk maakt. fig. 2 Bij de auto worden, afhankelijk van de uitvoering, de volgende sleutels geleverd (fig. 2): – type A – type B met een uitklapbare metalen baard, de afstandsbediening voor ontgrendeling van het kofferdeksel en de afstandsbediening voor centrale portiervergrendeling en in-/uitschakeling van het diefstalalarm (indien aanwezig). – het op afstan ...
  • Page 13

    BELANGRIJK De codes op de CODEcard moeten op een veilige plaats worden opgeborgen, maar niet in de auto. Wij raden u aan de elektronische code van de CODE-card altijd bij u te hebben omdat deze onmisbaar is voor het uitvoeren van een noodstart. BELANGRIJK Elke sleutel heeft een eigen code, die in de regeleenheid van het systeem moet worden opgeslagen. Om maximaal zeven nieuwe sleutels op te slaan, moet u zich wenden tot de Alfa Romeo-dealer. Hierbij moeten alle in u bezit zijnde sleutels, de CODE-card, een identiteitsbewijs en het kentekenbewijs worden meegenomen. WERKING (fig. 4) Iedere keer als u de contactsleutel in stand STOP zet, schakelt de Alfa Romeo CODE de functies van de elektronische regeleenheid van de motor uit. Als u bij het starten van de motor de sleutel in stand MAR draait, dan stuurt de regeleenheid van de Alfa Romeo CODE een code naar de regeleenheid van de motor die, als de code wordt herkend, de blokkering van de functies opheft. Als de blok ...
  • Page 14

    DIEFSTALALARM INSCHAKELEN UITSCHAKELEN (indien aanwezig) Druk voor inschakeling op knop (A-fig. 5) van sleutel (B), richt de sleutel in de richting van de auto en laat de knop los. Druk voor uitschakeling op knop (Afig. 5) van sleutel (B) en laat de knop los. Bij de meeste uitvoeringen geeft het systeem een akoestisch signaal (“BIEP”), gaan de richtingaanwijzers ongeveer 3 seconden branden, wordt de portiervergrendeling ingeschakeld en gaat lampje (Afig. 6) op het dashboard branden. Het knipperende lampje (A-fig. 6) dooft. Het diefstalalarm werkt alleen als de sleutel uit het contactslot is genomen of in stand STOP staat. P4U00416 BELANGRIJK De startblokkering wordt uitgevoerd door de Alfa Romeo CODE en wordt automatisch ingeschakeld als de contactsleutel uit het start-/contactslot wordt genomen. fig. 5 Het lampje (A-fig. 6) knippert gedurende de tijd dat het alarm is ingeschakeld. Bij de meeste uitvoeringen geeft het alarm twee akoest ...
  • Page 15

    – verwijder beschermdop (C-fig. 8) van de sleutelschakelaar; ALARMSYSTEEM UITSCHAKELEN (indien aanwezig) Als de batterijen van de afstandsbediening leeg zijn, of als er een storing is in het diefstalalarm, kunt u het systeem buiten werking stellen met de noodsleutel (C-fig. 2) die bij de sleutels van de auto is geleverd. Om het diefstalalarm volledig buiten werking te stellen (bijvoorbeeld bij onderhoudswerkzaamheden aan de elektrische installatie of als de accu van de auto vervangen moet worden, enz.), moet als volgt te werk worden gegaan: – steek de noodsleutel in de schakelaar en draai de sleutel linksom (D-fig. 9) (stand OFF). Om het systeem weer in te schakelen, draait u de sleutel rechtsom (stand ON). BELANGRIJK Als de auto langere tijd niet wordt gebruikt (langer dan drie weken), is het raadzaam het diefstalalarm uit te schakelen om te voorkomen dat de accu wordt uitgeput. Bij uitgeschakeld diefstalalarm blijft het altijd mogelijk de centrale portierv ...
  • Page 16

    Het systeem bestaat uit een ontvanger in de auto en een in de sleutel ingebouwde zender (afstandsbediening) (Bfig. 10). CONTACTSLOT (fig. 11) De sleutel kan in één van de volgende vier standen worden gezet: – STOP: motor uit, sleutel uitneembaar, CODE ingeschakeld en stuurslot geblokkeerd. Enkele elektrische installaties werken (bijv. waarschuwingsknipperlichten). – MAR: contact aan. CODE uitgeschakeld en alle elektrische systemen worden van voedingsspanning voorzien. – AVV: starten van de motor. – PARK: motor uit, sleutel uitneembaar, CODE ingeschakeld, stuurslot geblokkeerd, parkeerverlichting gaat automatisch branden. P4U00416 Richt voor het ver-/ontgrendelen van de portieren de zender in de richting van de auto, druk op knopje (A-fig. 10) en laat het knopje los. START-/CONTACTSLOT P4U00409 HET OP AFSTAND VER-/ONTGRENDELEN VAN DE PORTIEREN fig. 10 BELANGRIJK Om de sleutel in stand PARK te draaien, moet knop (A) op het contactslot worden ingedru ...
  • Page 17

    SPIEGELS BUITENSPIEGELS (fig. 13) Inschakelen: – zet de sleutel in stand STOP of PARK, trek de sleutel uit het start-/contactslot en draai het stuur totdat het vergrendelt. Uitschakelen: – draai het stuur iets heen en weer, terwijl u de sleutel in stand MAR draait. De spiegel kan met hendel (A) in twee standen worden gezet: normaal of antiverblindingsstand. Verstel de gekozen spiegel met knop (B). Zet schakelaar (A) in de middelste vergrendelde stand. BELANGRIJK Het model van de spiegel kan anders zijn als de auto is uitgerust met een autoradio met geïntegreerde mobiele telefoon en/of inbouwvoorbereiding telepass. Het afgebeelde model is alleen bedoeld om het afstellen te illustreren. P4U00011 Verwijder de sleutel nooit uit het contactslot als de auto nog in beweging is. Bij de eerste stuuruitslag blokkeert het stuur automatisch. Dit geldt in alle gevallen, ook als de auto gesleept wordt. fig. 12 16 Kies één van de twee spiegels met schakelaar ...
  • Page 18

    – Van buitenaf: druk op knopje (Bfig. 17) (dit kan ook bij geopend portier) en sluit het portier. Voorportieren vergrendelen: – Van buitenaf: draai de sleutel in het slot (fig. 14). – Van binnenuit: druk op knopje (Bfig. 15). fig. 14 Stand 1 = Kinderveiligheidsslot uitgeschakeld Stand 2 = Kinderveiligheidsslot ingeschakeld fig. 17 P4U00015 fig. 15 P4U00410 Achterportieren ontgrendelen: – Van buitenaf: trek als knopje (Bfig. 17) omhoog staat aan handgreep (A-fig. 16). Kinderveiligheidsslot (fig. 18) P4U00016 Achterportieren vergrendelen: – Van binnenuit: sluit het portier en druk op knopje (B-fig. 17). fig. 16 P4U00411 Voorportieren ontgrendelen: – Van buitenaf: draai de sleutel, neem de sleutel uit het slot en druk op knop (A-fig. 14). – Van binnenuit: trek aan handgreep (Afig. 15), onafhankelijk van de stand van knop (B). – Van binnenuit: trek, bij uitgeschakeld kinderveiligheidsslot aan handgreep (Afig. 17). P4U00014 PO ...
  • Page 19

    ZITPLAATSEN Als u de hendel naar het stuur trekt, wordt het stuurwiel ontgrendeld en kan het stuur dichterbij of verderaf en omhoog of omlaag worden gezet. Als u de hendel richting het dashboard duwt, wordt het stuurwiel vergrendeld. A - Verstelling in lengterichting. B - Hoogteverstelling. C - Rugleuning verstellen. D - Lendensteunverstelling (indien aanwezig). fig. 19 18 Druk voor de hoogte-instelling van de veiligheidsgordels voor (fig. 21) knop (A) in en verplaats de beugel (B) omhoog of omlaag totdat hij goed vergrendeld is in één van de vaste punten. De hierna beschreven handelingen moeten worden uitgevoerd voordat u vertrekt. Voer deze handelingen niet uit als de auto in beweging is. P4U00018 Verstel de stoelen, het stuurwiel, enz. alleen als de auto stilstaat. Bedieningsknoppen (fig. 20) voor: fig. 20 P4U00020 Voor de stuurwielverstelling moet hendel (A-fig. 19) worden verplaatst: VEILIGHEIDSGORDELS P4U00019 STUUR ...
  • Page 20

    HENDELS AAN HET STUUR – Trek hendel naar het stuur (stand zonder vergrendeling) = Grootlichtsignaal. HENDEL LINKS (fig. 23) – Duw hendel richting dashboard (vergrendelde stand) = Grootlicht. – Stand rechts. A = Richtingaanwijzers – Stand links. B = Richtingaanwijzers – Draaiknop (1) op O uit. – Draaiknop (1) op lichting aan. 6 = Verlichting = Buitenver- – Draaiknop (1) op 2 = D i m l i c h t aan. P4U00021 P4U00022 De auto kan zijn voorzien van een heupgordel voor de zitplaats middenachter (fig. 22). De lengte kan worden afgesteld door de gordel in gesp (A) te verplaatsen. Trek in de richting van de pijl aan deel (B) om de gordel te verkorten en aan deel (C) om te verlengen. fig. 22 fig. 23 19 ...
  • Page 21

    HENDEL RECHTS (fig. 24) – Stand A = Ruitenwissers uit. – Stand E (stand zonder vergrendeling) = Tijdelijk snel wissen. – Stand B = Wissen met interval met instelbare frequentie (Draaiknop 2). – Draaiknop (2) op: ■ = Lang interval. ■■ = Gemiddeld interval. ■■■ = Gemiddeld-kort interval. ■■■■ = Kort interval. – Stand C = Langzaam continu wissen. P4U00023 – In stand D = Snel continu wissen. fig. 24 20 – Trek hendel naar het stuur (stand zonder vergrendeling) = Ruitensproeiers ingeschakeld en inschakeling koplampsproeiers (indien aanwezig) als de buitenverlichting is ingeschakeld. ...
  • Page 22

    P4U00024 INSTRUMENTEN (fig. 25) A. Snelheidsmeter B. Kilometertellerdisplay (totaalstand, dagstand en weergave buitentemperatuur (alleen auto’s met airconditioning) C. Checkpanel D. Toerenteller E. Brandstofmeter F. Klokje G. Koelvloeistoftemperatuurmeter H. Controle-/waarschuwingslampjes BELANGRIJK Afhankelijk van de uitvoering van de auto kunnen de wijzerplaten van het instrumentenpaneel zijn uitgevoerd in lichtgrijs of zwart en kunnen het rode gebied van de toerenteller en de snelheidsmeter een ander bereik en schaalverdeling hebben. fig. 25 21 ...
  • Page 23

    Schakelaars op het portier aan bestuurderszijde (fig. 26): A - Openen/sluiten ruit aan bestuurderszijde. passagierszijde alleen “automatisch” kan worden geopend. Hiervoor hoeft u de boven- of onderzijde van de schakelaar slechts kort te in te drukken, zodat de ruit geheel opent of sluit: de ruit stopt in de gewenste stand als u de schakelaar nogmaals kort aan de boven- of onderzijde indrukt. P4U00026 C - Openen/sluiten ruit linksachter. D - Openen/sluiten ruit rechtsachter. E - Blokkering bediening zijruiten achter. A - Openen/sluiten ruit aan passagierszijde. Schakelaar op de achterportieren (Afig. 29) om de betreffende ruit te openen/sluiten. P4U00027 fig. 27 P4U00025 22 Schakelaars op het portier aan bestuurderszijde (fig. 28) B - Openen/sluiten ruit rechtsvoor. Schakelaar op het portier aan passagierszijde (fig. 27): fig. 26 (indien aanwezig) A - Openen/sluiten ruit linksvoor. B - Openen/sluiten ruit aan passagierszijde. BELA ...
  • Page 24

    (indien aanwezig) Druk voor in-/uitschakeling op knop (B-fig. 31). Druk op de achterzijde (1) van knop (A-fig. 32) om het dak te openen en op de voorzijde (2) om het te sluiten. De mistlampen werken alleen als de buitenverlichting is ingeschakeld. fig. 30 Druk bij gesloten dak op de voorzijde (2) om het dak aan de achterzijde omhoog te kantelen (kantelstand). MISTACHTERLICHT Druk voor in-/uitschakeling op knop (A-fig. 31). Het mistachterlicht werkt alleen als het dimlicht en/of de mistlampen voor zijn ingeschakeld. P4U00029 Het gebruik van de waarschuwingsknipperlichten is afhankelijk van de wetgeving van het land waarin u zich bevindt. Houdt u aan de voorschriften. OPENDAK (indien aanwezig) Bedien het opendak alleen als de auto stilstaat. P4U00031 Druk voor in-/uitschakeling op knop (A-fig. 30). MISTLAMPEN VOOR P4U00030 WAARSCHUWINGSKNIPPERLICHTEN fig. 31 fig. 32 23 ...
  • Page 25

    BEDIENINGSKNOPPEN VOOR UITVOERINGEN ZONDER AIRCONDITIONING (fig. 33) A - Draaiknop voor regeling luchttemperatuur. B - Draaiknop voor aanjagersnelheid. C - Draaiknop voor regeling luchtverdeling. B - Draaiknop voor aanjagersnelheid. C - Draaiknop voor regeling luchtverdeling. D - Drukknop voor in-/uitschakeling aircocompressor. E - Drukknop voor in-/uitschakeling achterruitverwarming. F - Drukknop voor in-/uitschakelen achterruit- en spiegelverwarming. 24 Van binnenuit openen (fig. 35): – Trek aan hendel (A) naast de bestuurdersstoel. Van buitenaf openen (fig. 36): – Draai het embleem (A) en open het kofferdeksel met sleutel (B). P4U00033 E - Drukknop voor in-/uitschakeling luchtrecirculatie. P4U00032 in-/uitschakeling fig. 33 Open het kofferdeksel alleen als de auto stilstaat. fig. 34 P4U00035 A - Draaiknop voor regeling luchttemperatuur. D - Drukknop voor luchtrecirculatie. KOFFERDEKSEL BEDIENINGKNOPPEN VOOR UITVOER ...
  • Page 26

    MOTORKAP Sluiten: Als het kofferdeksel wordt vergrendeld, dan wordt de beveiliging hersteld. – Trek in de auto aan hendel (A-fig. 38). – Duw aan de voorzijde van de auto de rode hendel (B-fig. 39) van de beveiliging omhoog. Deze bevindt zich tussen de openingen van het luchttoevoerrooster. – Til de motorkap omhoog. fig. 38 P4U00413 P4U00329 Voer deze handeling alleen uit als de auto stilstaat. fig. 36 P4U00036 Openen: Het kofferdeksel kan, ook bij ingeschakeld alarm (indien aanwezig), op afstand worden geopend door knopje (A-fig. 37) op de sleutel in te drukken. Als bij auto’s met diefstalalarm het kofferdeksel wordt geopend, dan worden de omtrekbeveiliging en de kofferdekselsensor uitgeschakeld. – Laat de motorkap tot op ongeveer 20 cm van de motorruimte zakken, en vervolgens vallen en controleer of de motorkap geheel gesloten is door deze op te tillen. De motorkap mag niet alleen door de beveiliging vergrendeld zijn. fig. 37 P4 ...
  • Page 27

    BENZINEMOTOREN De dieselmotoren zijn uitsluitend geschikt voor dieselbrandstof voor motorvoertuigen (Europese specificaties EN590). Het gebruik van andere producten of mengsels kan de motor onherstelbaar beschadigen en het vervallen van de garantie tot gevolg hebben. Mocht u onverhoopt een ander type brandstof hebben getankt, dan mag de motor niet worden gestart en moet de brandstoftank worden afgetapt. Ook als de motor slechts kort heeft gedraaid, moet naast de brandstoftank, ook alle brandstof uit de brandstofleidingen worden afgetapt. Til de voorzijde van hendel (A-fig. 40) omhoog om het tankklepje te ontgrendelen. De tankdop zit met een koord aan het klepje vast om verlies van de dop te voorkomen. (fig. 41). P4U00038 Gebruik voor auto’s met benzinemotor uitsluitend loodvrije superbenzine met een octaangetal van ten minste 95 R.O.N. Tank nooit loodhoudende benzine, niet in noodgevallen en ook niet een klein beetje, omdat dit de katalysator onherstel ...
  • Page 28

    WEGWIJS IN UW AUTO Wij raden u aan de volgende pagina’s te lezen terwijl u comfortabel in uw nieuwe auto zit. Zo kunt u de in dit boekje beschreven delen direct herkennen en leert u in enkele minuten de bedieningsorganen en installaties kennen waarmee uw nieuwe auto is uitgerust. ALFA ROMEO CODE .................................................................................... pag. DIEFSTALALARM .................................................................................................... PORTIEREN MET AFSTANDSBEDIENING VER-/ONTGRENDELEN ........... START-/CONTACTSLOT ......................................................................................... PORTIEREN .............................................................................................................. ZITPLAATSEN .......................................................................................................... STUURWIEL VERSTELLEN ..................................................... ...
  • Page 29

    DE SLEUTELS P4U00415 Voor een nog betere bescherming tegen diefstal is de auto uitgerust met een elektronische startblokkering (Alfa Romeo CODE) die is goedgekeurd volgens de EUnormen 95/56. Het systeem schakelt automatisch in als de start-/contactsleutel wordt uitgenomen. In de handgreep van de sleutels bevindt zich een elektronisch component, dat bij het starten van de motor een signaal ontvangt via een speciale antenne die in het start-/contactslot is ingebouwd. Dit signaal wordt omgezet in een gecodeerd signaal en vervolgens aan de regeleenheid van de Alfa Romeo CODE gezonden, die, als de code wordt herkend, het starten van de motor mogelijk maakt. fig. 1 28 Bij de auto worden, afhankelijk van de uitvoering, de volgende typen sleutels (fig. 1) geleverd: – type A – type B met een uitklapbare metalen baard, afstandsbediening voor het openen van het kofferdeksel en afstandsbediening voor het op afstand ver-/ontgrendelen van de portieren en in-/uitschake ...
  • Page 30

    Bij de sleutels wordt de CODE-card (fig. 2) geleverd. Hierop staan de sleutelcodes (zowel de mechanische als de elektronische code, waarmee in noodgevallen de motor kan worden gestart). De codes op de CODE-card moeten op een veilige plaats worden opgeborgen, maar niet in de auto. Wij raden u aan de elektronische code van de CODE-card altijd bij u te hebben, omdat deze onmisbaar is voor het uitvoeren van een noodstart. Als de auto wordt verkocht, moeten alle sleutels en de CODE-card overhandigd worden aan de nieuwe eigenaar. SLEUTEL MET AFSTANDSBEDIENING EN MET INKLAPBARE METALEN BAARD (indien aanwezig) De sleutel is uitgerust met (fig. 3): – metalen baard A die in de handgreep van de sleutel kan worden opgeborgen – knopje B voor het uitklappen van de metalen baard – knopje C voor het op afstand ver-/ ontgrendelen van de portieren en het in-/ uitschakelen van het diefstalalarm – lampje D dat aangeeft dat de code naar de ontvanger van het diefstalalarm is ver ...
  • Page 31

    Houd voor het inklappen van de metalen baard in de handgreep knopje (Bfig. 3) ingedrukt en draai de baard in de richting van de pijl tot de baard vastklikt. Druk voor het op afstand ver-/ontgrendelen van de portieren op knopje C. Als bij auto’s met diefstalalarm knopje C wordt ingedrukt, wordt ook het diefstalalarm in-/uitgeschakeld en knippert lampje D op de sleutel als de zender de code naar de ontvanger zendt. Deze code (rolling code) wijzigt telkens als de zender wordt gebruikt. WERKING (fig. 4) Het kofferdeksel kan van buitenaf op afstand worden ontgrendeld door knopje E (fig. 3) in te drukken, ook als het diefstalalarm (indien aanwezig) is ingeschakeld. Iedere keer als u de contactsleutel in stand STOP zet, schakelt de Alfa Romeo CODE de functies van de elektronische regeleenheid van de motor uit. Als bij auto’s met diefstalalarm het kofferdeksel wordt geopend, dan worden de omtrekbeveiliging en de kofferdekselsensor uitgeschakeld. Het systeem geeft (beha ...
  • Page 32

    Als de code wordt herkend, gaat lampje (A) op het checkpanel kort knipperen. Als de code niet wordt herkend, blijft het CODE-controlelampje (A) branden samen met het EOBD-lampje/storing in inspuitsysteem (B). In dat geval raden wij u aan de sleutel in stand STOP en vervolgens opnieuw in stand MAR te draaien; als de motor geblokkeerd blijft, probeer het dan opnieuw met de andere geleverde sleutel. Als de motor dan nog niet aanslaat, voer dan zelf een noodstart uit zoals hierna beschreven, en wendt u vervolgens tot de Alfa Romeo-dealer. BELANGRIJK Elke sleutel heeft een eigen code, die in de regeleenheid van het systeem moet worden opgeslagen. Voor het opslaan van de nieuwe sleutels (maximaal zeven), moet u zich tot de Alfa Romeo-dealer wenden. Hierbij moeten alle in uw bezit zijnde sleutels, de CODE-card, een identiteitsbewijs en het kentekenbewijs worden meegenomen. Als tijdens het opslaan van een nieuwe sleutelcode de reeds opgeslagen sleutelcodes niet opnieuw ...
  • Page 33

    NOODSTART Als de Alfa Romeo CODE er niet in slaagt de startblokkering op te heffen, kan de Alfa Romeo-dealer een noodstart uitvoeren met de code die op de CODEcard vermeld staat. U kunt ook zelf een noodstart uitvoeren volgens de hierna beschreven procedure. BELANGRIJK Wij raden u aan om eerst de instructies goed te lezen voordat u de motor op deze wijze start. Als er tijdens deze noodstartprocedure een vergissing wordt gemaakt, moet de contactsleutel in stand STOP worden gedraaid en de gehele procedure vanaf het begin (punt 1) worden herhaald. 1) Lees de 5-cijferige elektronische code die op de CODE-card staat vermeld. 2) Draai de contactsleutel in stand MAR. 3) Trap het gaspedaal geheel in en houd het ingetrapt. Het EOBD-waarschuwingslampje/storing in inspuitsysteem U gaat ongeveer acht seconden branden. Zodra het lampje is gedoofd, moet u het gaspedaal loslaten. 32 4) Het lampje U begint te knipperen: als het lampje evenveel keer heeft geknipperd als het ...
  • Page 34

    fig. 5 Batterij vervangen (fig. 7): – klap de metalen baard (A) uit; – draai pen (B) en plaats het merkteken (bolletje) bij het opschrift UNLOCK (stand 2); – verwijder bij inkeping (C) de batterijhouder (D); – vervang de batterij (E) en let daarbij op de juiste polariteit; fig. 6 P4U00332 – plaats de houder in de sleutel en vergrendel de houder door pen (B) te draaien en het merkteken bij het opschrift LOCK te plaatsen (stand 1). P4U00417 Als u knopje (A of C-fig. 5) van de afstandsbediening indrukt, en lampje (Bfig. 5) knippert één keer kort en het lampje op het dashboard (A-fig. 6) blijft constant branden (na uitschakeling), dan moet de batterij door een nieuwe batterij van hetzelfde type worden vervangen. Deze batterij is normaal in de handel verkrijgbaar. Lege batterijen zijn schadelijk voor het milieu. Ze moeten in een batterijenbak of chemobox worden gedeponeerd. Vermijd blootstelling aan open vuur en hoge temperaturen. Houd ze buiten het berei ...
  • Page 35

    DIEFSTALALARM AFSTANDSBEDIENING (fig. 8) (indien aanwezig) De in de contactsleutel ingebouwde afstandsbediening is uitgerust met een knopje (A) en een lampje (B); met het knopje schakelt u de afstandbediening in en het lampje knippert als de zender een code stuurt naar de ontvanger. Deze code (rolling code) wijzigt telkens als de zender wordt gebruikt. Het systeem is goedgekeurd volgens de EU-normen 95/56 en bestaat uit: zender, ontvanger, regeleenheid met sirene en bewegingssensoren. Het diefstalalarm wordt bediend door de in het instrumentenpaneel opgenomen ontvanger en wordt in- en uitgeschakeld met de zender in de sleutel. De zender verzendt een versleutelde variabele code. Het diefstalalarm controleert: het onbevoegd openen van de portieren, het kofferdeksel en de motorkap (omtrekbeveiliging), de bediening van het start-/contactslot, het onderbreken van de accukabels, het doorknippen van de kabels van de sleutelschakelaar, de aanwezigheid van bewegende obje ...
  • Page 36

    Bewaking Als na het inschakelen lampje (A-fig. 9) op het dashboard gaat knipperen, dan geeft dit aan dat het systeem de auto bewaakt. Lampje (A) knippert zolang de bewakingsfase actief is. BELANGRIJK De wijze waarop het diefstalalarm inschakelt, verschilt per land. Zelfdiagnose en portieren, motorkap en kofferdeksel controleren P4U00006 Als u na het inschakelen van het alarm een tweede “BIEP” hoort, moet u het systeem uitschakelen, controleren of de portieren, de motorkap en het kofferdeksel gesloten zijn en vervolgens het systeem weer inschakelen. Als de portieren, de motorkap en het kofferdeksel niet goed gesloten zijn, worden ze niet door het diefstalalarm gecontroleerd. – als het lampje constant blijft branden, betekent dit dat de batterijen van de afstandsbediening leeg zijn en vervangen moeten worden; Als bij goed gesloten portieren, motorkap en kofferdeksel het geluidssignaal wordt herhaald, betekent dit dat door de zelfdiagnose van het systeem een ...
  • Page 37

    Als het diefstalalarm niet met de afstandsbediening is ingeschakeld, wordt het systeem automatisch ingeschakeld na ongeveer 30 seconden nadat de contactsleutel in stand STOP of PARK is gedraaid en voor de laatste keer één van de portieren geopend en weer gesloten is. Als het systeem is ingeschakeld, gaat het lampje in de auto knipperen, knipperen de richtingaanwijzers twee keer kort en klinken er twee geluidssignalen (biep). U schakelt het alarm uit door het knopje van de afstandsbediening in te drukken. Het alarm schakelt zichzelf ook automatisch in als de portieren met de sleutel worden vergrendeld. Als het alarm automatisch wordt ingeschakeld, worden de portieren niet vergrendeld. WANNEER GAAT HET ALARM AF Bij ingeschakeld systeem wordt het alarm in de volgende gevallen geactiveerd: – als één van de portieren, de motorkap of het kofferdeksel wordt geopend; – als de accu wordt losgekoppeld of de voedingskabels van het diefstalalarm of van de sleutelschakelaar w ...
  • Page 38

    fig. 11 VOLUMETRISCHE BEVEILIGING Voor een correcte werking van de beveiliging moeten de ruiten en het opendak (indien aanwezig) geheel gesloten zijn. De volumetrische beveiliging kan worden uitgeschakeld (als er bijvoorbeeld dieren aan boord zijn) door de volgende handelingen snel achter elkaar uit te voeren: Draai de contactsleutel van stand MAR in stand STOP en direct daarna weer in stand MAR en vervolgens opnieuw in stand STOP. Neem vervolgens de sleutel uit het slot. Het lampje in de auto gaat ongeveer 2 seconden branden om de uitschakeling te bevestigen. U schakelt de volumetrische beveiliging weer in door de sleutel in stand MAR te draaien en langer dan 30 seconden te wachten. P4U00008 Om het diefstalalarm volledig buiten werking te stellen (bijvoorbeeld bij onderhoudswerkzaamheden aan de elektrische installatie of als de accu van de auto vervangen moet worden, enz.), moet als volgt te werk worden gegaan: – maak het paneel (A-fig. 10) los door op de ...
  • Page 39

    WERKING VAN SIRENE UITSCHAKELEN (fig. 13) (indien aanwezig) MINISTERIËLE GOEDKEURING Als u de werking van de sirene wilt uitschakelen, moet u knopje (A) van de afstandsbediening 4 seconden ingedrukt houden tijdens de inschakeling van het systeem. Het systeem zendt dan, na de normale akoestische en zichtbare signalen, een snelle reeks van 5 “BIEPS” uit. (afhankelijk van de uitvoering/land kan de code ook zijn aangebracht op de zender en/of ontvanger). fig. 13 38 P4U00419 P4U00418 Als het systeem opnieuw wordt ingeschakeld, wordt automatisch de normale werking van de sirene weer ingeschakeld. In overeenstemming met de wetgeving in ieder land ten aanzien van radiozendapparatuur: – staan de verschillende typegoedkeuringen vermeld op de laatste pagina’s van dit boekje, na het alfabetische register (voor sommige landen is ook het betreffende document afgebeeld); – is voor de landen waar een zendmachtiging verplicht is, de typegoedkeuring op de componen ...
  • Page 40

    START-/CONTACTSLOT CONTACTSLOT (fig. 15) P4U00409 De sleutel kan in één van de volgende vier standen worden gezet: – STOP: motor uit, sleutel uitneembaar, CODE ingeschakeld en stuurslot geblokkeerd. Enkele elektrische installaties werken (bijv. waarschuwingsknipperlichten). – MAR: contact aan. CODE uitgeschakeld en alle elektrische systemen worden van voedingsspanning voorzien. BELANGRIJK Laat het slot niet in deze stand staan als de motor is uitgeschakeld. – AVV: starten van de motor. BELANGRIJK Als de motor bij de eerste poging niet aanslaat, moet u de sleutel terugdraaien in stand STOP en nogmaals starten. Het start-/contactslot is voorzien van een beveiligingsmechanisme, waardoor het slot niet in stand AVV kan worden gezet bij een draaiende motor. Als het start-/contactslot is geforceerd (bijv. bij een poging tot diefstal) moet u, voordat u weer met de auto gaat rijden, de werking van het slot laten controleren bij een Alfa Romeo-dealer. – PARK: m ...
  • Page 41

    PORTIEREN Achterportieren VAN BUITENAF ONT-/ VERGRENDELEN – Trek, om het portier te openen (alleen mogelijk als de knop aan de binnenzijde (A-fig. 17) omhoog staat), aan hendel (B-fig. 18). – Druk, om het portier te vergrendelen, knop (A-fig. 17) in (dit kan ook bij geopend portier) en sluit het portier. P4U00043 fig. 16 40 – Trek, om het portier te openen, aan hendel (B), onafhankelijk van de stand van knop (A). – Trek, om het portier te sluiten, het portier dicht; druk vervolgens knop (A) in om te voorkomen dat het portier van buitenaf wordt geopend. De achterportieren kunnen alleen van binnenuit worden geopend als het “kinderveiligheidsslot” is uitgeschakeld. P4U00044 fig. 17 P4U00410 Voorportieren – Draai, om het portier te ontgrendelen, de sleutel (rechtsom bij het bestuurdersportier en linksom bij het passagiersportier), verwijder de sleutel en druk op knop (A-fig. 16). – Draai, om het portier te vergrendelen, de sleutel in de andere ...
  • Page 42

    – Trek, om het portier te openen, aan hendel (B). – Druk, om het portier te sluiten, knop (A) in (dit kan ook bij geopend portier) en sluit het portier. CENTRALE PORTIERVERGRENDELING. Met de portiervergrendeling kunnen alle portieren gelijktijdig worden ver- en ontgrendeld De centrale portiervergrendeling werkt alleen als alle portieren goed zijn gesloten. Als dat niet het geval is, dan wordt de vergrendeling niet uitgevoerd. P4U00046 BELANGRIJK Als één van de portieren niet goed gesloten is, gaat het betreffende lampje op het instrumentenpaneel branden. De centrale portiervergrendeling (indien aanwezig) werkt alleen als alle portieren en het kofferdeksel zijn gesloten. KINDERVEILIGHEIDSSLOT (fig. 21) – Van buitenaf: sluit de portieren, steek de sleutel in het slot van één van de voorportieren, en draai de sleutel. De achterportieren zijn voorzien van een kinderveiligheidsslot (A) waardoor de portieren niet van binnenuit geopend kunnen worden. – Va ...
  • Page 43

    ZITPLAATSEN ZITPLAATSEN VOOR Voer alle afstellingen van de zitpositie uitsluitend uit als de auto stil- Fig. 22: standaarduitvoering; Fig. 23: sportstoelen (indien aanwezig); Fig. 24: sportstoelen met zij-airbags (indien aanwezig). Verstelling in lengterichting Trek hendel (A) omhoog en schuif de stoel naar voren of naar achteren. Controleer nadat u het veiligheidsslot bij beide portieren hebt ingeschakeld of het slot daadwerkelijk is ingeschakeld door aan de handgreep aan de binnenzijde van de portieren te trekken. fig. 22 42 Hoogteverstelling bestuurdersstoel Trek, voor het omhoog verplaatsen van de stoel, de hendel (B) omhoog. Beweeg de hendel vervolgens (op en neer), totdat de gewenste zithoogte is bereikt en laat de hendel los. Duw, voor het omlaag verplaatsen van de stoel, de hendel (B) omlaag. Beweeg de hendel vervolgens (op en neer), totdat de gewenste zithoogte is bereikt en laat de hendel los. BELANGRIJK De hoogte kan alleen worden ingesteld ...
  • Page 44

    Rugleuning verstellen Draai aan knop (C), totdat de gewenste stand is bereikt. Draai aan knop (E) totdat de gewenste stand is bereikt. Armsteun in het midden (fig. 25) Klap de armsteun voor gebruik omlaag, zoals aangegeven in de figuur. Stoelverwarming (fig. 26) (indien aanwezig) U kunt de stoelverwarming in- en uitschakelen met schakelaar (A) aan de binnenzijde van de stoel. Als de stoelverwarming is ingeschakeld, gaat lampje (B) aan de buitenzijde van de stoel branden. fig. 24 fig. 25 P4U00051 P4U00335 P4U00050 Bij sportstoelen die uitgerust zijn met zij-airbags, kan de rugleuning elektrisch versteld worden. Druk hiervoor op knop (D-fig. 24) aan de buitenzijde van de stoel en laat de knop los als de gewenste stand is bereikt. Lendensteun van de bestuurdersstoel verstellen (indien aanwezig) fig. 26 43 ...
  • Page 45

    Om de veiligheid van de inzittenden te vergroten zijn de hoofdsteunen in hoogte verstelbaar. Bij uitvoeringen met Recarostoelen kan ook de hellingshoek van de hoofdsteunen worden versteld. Hoogte-verstelling: plaats de hoofdsteun omhoog of omlaag, laat vervolgens de steun los en controleer of de steun goed in één van de standen vergrendeld is. Documentenvakken achter (fig. 28) De rugleuningen van de voorstoelen zijn aan de achterzijde voorzien van een documentenvak. BELANGRIJK De uitvoering van de hoofdsteun kan afwijken, afhankelijk van de uitvoering en het land. Het afgebeelde model is alleen bedoeld om het afstellen te illustreren. P4U00052 Hellingshoek verstellen (indien aanwezig): pak de hoofdsteun vast en kantel hem in de gewenste stand. Let erop dat de hoofdsteun zo is ingesteld dat de steun het hoofd steunt en niet de nek. Alleen in deze positie bieden de steunen bescherming, wanneer de auto van achteren aangereden wordt. fig. 27 44 P ...
  • Page 46

    Skiluik (indien aanwezig) Armsteun in het midden (fig. 29) (indien aanwezig) Het skiluik kan worden gebruikt voor het vervoer van lange voorwerpen. P4U00056 Om het skiluik te bereiken, moet u de armsteun neerklappen, aan de handgreep (A-fig. 30) van het luikje trekken en het luikje vervolgens op de armsteun neerklappen (fig. 31). P4U00054 fig. 30 fig. 33 P4U00057 fig. 31 P4U00055 fig. 29 fig. 32 P4U00059 Klap de armsteun voor gebruik omlaag, zoals aangegeven in de figuur. De doorgang kan vergroot worden door de armsteun te verwijderen: druk bij neergeklapte armsteun de twee handgrepen (B-fig. 32) aan de onderzijde van de armsteun naar binnen en verwijder de armsteun. Trek vervolgens aan de handgreep van het luikje en klap het neer op de achterzitting (fig. 33). P4U00058 ZITPLAATSEN ACHTER fig. 34 45 ...
  • Page 47

    De auto is voorzien van twee hoofdsteunen voor de zijzitplaatsen achter. De auto kan ook zijn uitgerust met een derde hoofdsteun (optional) voor de middelste zitplaats achter. De hoofdsteunen zijn in hoogte verstelbaar. Voor de hoogteverstelling moet de hoofdsteun omhoog of omlaag worden geplaatst en, afhankelijk van de lengte van de passagier, in één van de standen worden vergrendeld. STUURWIEL VERSTELLEN SPIEGELS VERSTELLEN Het stuurwiel is verstelbaar. Het kan dichterbij of verderaf en omhoog of omlaag worden gezet. ACHTERUITKIJKSPIEGEL Ontgrendel hiervoor de hendel (A-fig. 35) door de hendel in de richting van het stuurwiel te trekken. Zet het stuurwiel in de gewenste stand en druk de hendel geheel naar voren. U kunt de hoofdsteunen zonodig verwijderen. Ga hiervoor als volgt te werk: Verstel het stuurwiel alleen als de auto stilstaat. – zet de hoofdsteun geheel omhoog; Let erop dat de hoofdsteun zo is ingesteld dat de steun het hoofd steu ...
  • Page 48

    BUITENSPIEGELS Inklappen (fig. 38) Elektrische verstelling (fig. 37) – Indien nodig (bijv. als de breedte van de buitenspiegel problemen oplevert in een nauwe doorgang) kunnen de buitenspiegels van stand (A) in stand (B) worden geklapt. – Plaats knop (B) in één van de vier richtingen, waardoor de hiervoor gekozen spiegel wordt versteld. – Zet schakelaar (A) in de middelste vergrendelde stand. fig. 37 Een tijdschakeling schakelt de functie na enige minuten automatisch uit. P4U00062 De gebogen buitenspiegels (indien aanwezig) kunnen uw waarneming van de afstand licht wijzigen. P4U00061 De elektrische verstelling werkt alleen als de contactsleutel in stand MAR staat. Als u rijdt, moeten de spiegels altijd in stand (A) staan. De elektrisch verstelbare buitenspiegels zijn voorzien van verwarmingselementen, die worden ingeschakeld als de achterruitverwarming met knop (A) wordt ingeschakeld. Met de elementen worden de spiegels ontwasemd of on ...
  • Page 49

    ELEKTRISCHE RUITBEDIENING VOOR Bestuurderszijde (fig. 40) Op het sierpaneel van het portier aan bestuurderszijde zijn de bedieningsschakelaars gemonteerd waarmee u, als de contactsleutel in stand MAR staat, de zijruiten bedient: A - zijruit linksvoor BELANGRIJK De ruit aan de bestuurderszijde kan “automatisch” worden geopend en gesloten. Hiervoor hoeft u de boven- of onderzijde van de schakelaar slechts kort te in te drukken, zodat de ruit geheel opent of sluit: de ruit stopt in de gewenste stand als u de schakelaar nogmaals kort aan de boven- of onderzijde indrukt. Passagierszijde (fig. 41) ACHTER Met schakelaar (A) kan de ruit aan de passagierszijde worden bediend. Druk, met de contactsleutel in stand MAR, op de schakelaar om de ruit te openen of trek aan de schakelaar om de ruit te sluiten. De ruit aan de passagierszijde kan alleen “automatisch” worden geopend. De werking is gelijk aan de werking van de ruit aan de bestuurderszijde. B - zijruit ...
  • Page 50

    Bestuurdersportier (fig. 42) Achterportieren (fig. 43) VEILIGHEIDSGORDELS Op het sierpaneel van het bestuurdersportier zijn de volgende bedieningsschakelaars aanwezig: Op het sierpaneel van elk portier bevindt zich een bedieningsschakelaar (A) voor de ruitbediening van de betreffende ruit. ZITPLAATSEN VOOR EN ZIJZITPLAATSEN ACHTER B - zijruit rechtsvoor C - zijruit linksachter D - zijruit rechtsachter P4U00027 E - uitschakeling bedieningsschakelaars voor de ruiten achter (als de bedieningsschakelaars zijn uitgeschakeld, staat de schakelaar omhoog; als de schakelaar opnieuw wordt ingedrukt, dan kunnen de bedieningsschakelaars achter weer worden gebruikt. Onzorgvuldig gebruik van de elektrische ruitbediening kan gevaarlijk zijn. Verwijder altijd de sleutel uit het contact als u de auto verlaat, om te voorkomen dat een onverwachtse inschakeling van de elektrische ruitbediening gevaar oplevert voor de achtergebleven passagiers. Houd de knop niet in ...
  • Page 51

    Leg de gordel om door de onderzijde van de gordel aan de buitenzijde van de stoel te pakken, de gordel te geleiden met de gesp (A-fig. 44) en de gesp geheel in de sluiting (B-fig. 44) te drukken. De gordel is juist bevestigd als de gesp hoorbaar blokkeert. Druk, om de gordels los te maken, op knop (C-fig. 44). De rolautomaat blokkeert als u de gordel snel uittrekt, bij hard remmen of bij botsingen. Als de oprolautomaat blokkeert, laat dan de gordel een stukje teruglopen en trek de gordel vervolgens weer geleidelijk uit. Via de rolautomaat wordt de lengte van de gordel automatisch aangepast aan het postuur van de drager, waarbij voldoende bewegingsruimte overblijft. Druk om de hoogte te regelen op knop (A-fig. 45) van de rolautomaat en schuif gelijktijdig beugel (B-fig. 45) in de gewenste stand. Als de auto op een steile helling staat, kan de rolautomaat blokkeren; dit is een normaal verschijnsel. Begeleid de gordel tijdens het teruglopen om te voorkomen ...
  • Page 52

    De achterbank is voorzien van driepunts-veiligheidsgordels met rolautomaat voor de zijzitplaatsen en een tweepuntsheupgordel voor de middelste zitplaats. Bij enkele uitvoeringen is ook de middelste zitplaats voorzien van een hoofdsteun en een driepunts-veiligheidsgordel met rolautomaat, die gelijk is aan de gordel van de zijzitplaatsen. Voor een maximale bescherming moeten de gordels achter worden vastgemaakt, zoals in fig. 46 en fig. 47 is aangegeven. P4U00065 GEBRUIK VAN DE VEILIGHEIDSGORDELS ACHTER HEUPGORDEL VAN DE ZITPLAATS MIDDENACHTER (fig. 48) Maak de gordel vast door gesp (A) in sluiting (B) te drukken, totdat de gesp hoorbaar blokkeert. De lengte kan worden afgesteld door de gordel in gesp (D) te verplaatsen. Trek aan deel (E) om de gordel te verkorten en aan deel (F) om te verlengen. Om verkeerde verbindingen te voorkomen, passen de gespen van de zijgordels niet in de sluiting van de middengordel. Druk, om de gordel los te maken, op knop ...
  • Page 53

    Bedenk dat achterpassagiers die geen gordel dragen tijdens een ernstig ongeval, niet alleen zelf aan gevaar worden blootgesteld maar ook gevaar opleveren voor de inzittenden voor. Draag altijd veiligheidsgordels, zowel voor als achter in de auto. Rijden zonder veiligheidsgordels vergroot het risico op ernstig letsel of een dodelijke afloop bij een ongeval. fig. 49 52 Gebruik de gordel niet voor een kind dat bij een volwassene op schoot zit, waarbij de gordel beiden zou moeten beschermen (fig. 50). Als de gordel aan een zware belasting wordt blootgesteld (bijvoorbeeld tijdens een ongeval), dan moet de gordel samen met de verankeringen, bevestigingspunten en de eventueel gemonteerde gordelspanners worden vervangen. Ook als de schade niet zichtbaar is, kan de gordel toch verzwakt zijn. P4U00069 De bestuurder is verplicht zich te houden aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot het verplichte gebruik van de veiligheidsgordels (en de inzittende ...
  • Page 54

    Zwangere vrouwen dienen zich bij het gebruik van veiligheidsgordels strikt aan de geldende wet- en regelgeving te houden. Het verdient aanbeveling om als voorzorgsmaatregel het onderste deel van de gordel meer naar beneden om te leggen, zodat de gordel onder de buik langs loopt (fig. 51). HOE U DE VEILIGHEIDSGORDELS IN OPTIMALE STAAT HOUDT KINDEREN VEILIG VERVOEREN – Zorg dat de gordel goed uitgetrokken en niet gedraaid is. Voor optimale bescherming bij een ongeval moeten alle inzittenden zittend reizen en beschermd worden door goedgekeurde veiligheidssystemen. – U kunt de gordels met de hand wassen met warm water en een neutrale zeep. Knijp ze uit en laat ze in de schaduw drogen. Gebruik geen bijtende, blekende of kleurende middelen. Vermijd het gebruik van alle chemische producten die het weefsel kunnen aantasten. P4U00070 – Voorkom dat vocht in de oprolautomaat komt: de werking van de oprolautomaten is alleen gegarandeerd, als ze niet nat zijn gewe ...
  • Page 55

    Alle systemen moeten zijn voorzien van de typegoedkeuring en van een goed vastgehecht plaatje met het controlemerk, dat absoluut niet mag worden verwijderd. Kinderen met een gewicht boven 36 kg of met een lengte van meer dan 1,50 m worden, met betrekking tot de veiligheidssystemen, gelijkgesteld met volwassenen en moeten dan ook normaal de veiligheidsgordels omleggen. In het Alfa Romeo Lineaccessori-programma zijn kinderzitjes opgenomen voor elke gewichtsgroep, die speciaal ontworpen en ontwikkeld zijn voor de Alfa Romeo-modellen. Wij raden u aan kinderen altijd op de zitplaatsen achter te vervoeren, omdat die plaatsen bij een ongeval de meeste bescherming bieden. Monteer absoluut geen kinderzitje op de stoel van de passagier voor als deze is uitgerust met een airbag. Als bij een ongeval de airbag in werking treedt (opblaast), kan dit ernstig letsel en zelfs de dood tot gevolg hebben, onafhankelijk van de zwaarte van het ongeluk. Kinderen kunnen op de passagierssto ...
  • Page 56

    Kinderen met een gewicht vanaf 9 kg moeten worden vervoerd in kinderzitjes met een kussen (fig. 53), die naar voren zijn gekeerd, waarbij de veiligheidsgordel van de auto zowel het kinderzitje als het kind op zijn plaats moet houden. GROEP 2 Vanaf 15 kg kunnen kinderen direct door de veiligheidsgordels van de auto worden beschermd.Kinderen moeten zo in de kinderzitjes worden geplaatst, dat het diagonale gordelgedeelte schuin over de borst en niet langs de nek moet liggen. Het horizontale gordelgedeelte moet over het bekken en niet over de buik van het kind liggen (fig. 54). De afbeeldingen dienen alleen ter illustratie van de bevestiging. Houdt u voor de montage van het kinderzitje aan de instructies. De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren. P4U00072 De afbeeldingen dienen alleen ter illustratie van de bevestiging. Houdt u voor de montage van het kinderzitje aan de instructies. De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren. ...
  • Page 57

    GROEP 3 Vanaf 22 kg kunnen kinderen op een kussen vervoerd worden (fig. 55). De borstomvang is dan van dien aard dat de kinderen gewoon tegen de rugleuning kunnen steunen en niet meer in een kinderzitje hoeven te worden vervoerd P4U00074 Kinderen die langer zijn dan 1,50 m kunnen net zoals volwassenen de veiligheidsgordels omleggen. fig. 55 56 Hieronder worden de veiligheidsnormen voor het vervoeren van kinderen aangegeven: 1) Plaats het kinderzitje bij voorkeur op één van de zitplaatsen achter omdat deze plaatsen bij een ongeval de meeste bescherming bieden. 2) Vervoer kinderen nooit op de stoel van de passagier voor als deze is uitgerust met een airbag. 3) Als de airbag buiten werking wordt gesteld, bij uitvoeringen waarbij dit mogelijk is, moet altijd gecontroleerd worden of het systeem ook daadwerkelijk is uitgeschakeld. Het betreffende gele waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel moet branden. 4) Houdt u bij de montage van het kinderzitje stri ...
  • Page 58

    GORDELSPANNERS Voor een nog effectievere bescherming zijn de veiligheidsgordels voor voorzien van gordelspanners. Voor een maximale bescherming door de gordelspanners moet de veiligheidsgordel zo worden omgelegd dat hij goed aansluit op borst en bekken. Dit systeem wordt bij een heftige botsing door een sensor in werking gesteld en trekt de gordel enige centimeters aan. Op deze wijze worden de inzittenden veel beter op hun plaats gehouden en wordt de voorwaartse beweging beperkt. Het blokkeren van de veiligheidsgordel geeft aan dat de gordelspanner in werking is geweest; er kan een beetje rook ontsnappen. Deze rook is niet schadelijk en duidt niet op brand. De gordelspanner behoeft geen enkel onderhoud of smering. Elke verandering van de oorspronkelijke staat zal de doelmatigheid verminderen. Als de gordelspanner door extreme natuurlijke omstandigheden (overstromingen, zeestormen) met water en modder in contact is geweest, dan moet de spanner worden vervangen. ...
  • Page 59

    (indien aanwezig) P4U00076 De auto is uitgerust met een airbag aan bestuurderszijde (fig. 56). Als optional kunnen voor bepaalde uitvoeringen/markten een airbag aan de passagierszijde (fig. 57) en zij-airbags worden geleverd. De zij-airbags zijn geplaatst in de rugleuningen van de voorstoelen (side-bags) (fig. 58) en aan de zijkanten van de hemelbekleding (headbags) (fig. 59). P4U00077 P4U00075 58 Beschrijving en werking De airbag voor (bestuurder en passagier) is een veiligheidsvoorziening die onmiddellijk in werking treedt bij een frontale botsing. De airbag bestaat uit een opblaasbaar luchtkussen dat in een daarvoor bestemde ruimte is geplaatst: – in het midden van het stuurwiel aan bestuurderszijde; – een luchtkussen met een groter volume boven het dashboardkastje aan passagierszijde. De airbag voor (bestuurder en passagier) is een veiligheidsvoorziening die onmiddellijk in werking treedt bij een middelzware frontale botsing. fig. 57 fig. 56 ...
  • Page 60

    Bij een botsing verwerkt een elektronische regeleenheid de gegevens van een vertragingssensor en zorgt ervoor, indien nodig, dat het kussen opblaast. Bij lichte frontale botsingen (waarbij de veiligheidsgordel de inzittende op zijn plaats houdt), wordt de airbag niet geactiveerd. Het kussen blaast onmiddellijk op, waardoor het lichaam wordt opgevangen en de kans op letsel beperkt wordt. Direct daarna loopt het kussen weer leeg. Bij botsingen tegen snel vervormbare of beweegbare objecten (zoals verkeerspalen, sneeuw- of ijs-ophopingen, geparkeerde auto’s, enz), bij aanrijdingen van achteren (zoals een aanrijding door een andere auto) en bij zijdelingse aanrijdingen met andere auto’s of veiligheidsbarrières (bijvoorbeeld tegen de onderkant van de auto of de vangrail), wordt de airbag niet geactiveerd omdat geen enkele aanvullende bescherming wordt geboden ten opzichte van de veiligheidsgordels. Als de airbag in deze gevallen niet geactiveerd wordt, betekent dit nie ...
  • Page 61

    AIRBAG VOOR AAN PASSAGIERSZIJDE UITSCHAKELEN De sleutelschakelaar (fig. 60) heeft twee standen: Als het absoluut noodzakelijk is een kind op de passagiersstoel voor te vervoeren, kan de airbag voor aan passagierszijde worden uitgeschakeld. 1) Airbag voor passagierszijde ingeschakeld: (stand ON ) het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel brandt niet: het is absoluut verboden kinderen op de voorstoel te vervoeren. 2) Airbag voor passagierszijde uitgeschakeld: (stand OFF ) het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel brandt: het is mogelijk om kinderen in goedgekeurde kinderzitjes op de voorstoel te vervoeren. Bedien de schakelaar alleen als de motor uit staat en de contactsleutel is uitgenomen. Het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel blijft continu branden totdat de airbag aan passagierszijde opnieuw wordt ingeschakeld. P4U00079 U schakelt de airbag uit door de contactsleutel in de daarvoor bestemde sleutelschakelaar, rechts van h ...
  • Page 62

    ZIJ-AIRBAGS (SIDE-BAGS - HEADBAGS) (indien aanwezig) De zij-airbags beschermen de inzittenden bij een middelzware zijdelingse aanrijding. Ze bestaan uit een zich snel opblazend kussen: – de side-bag is in de rugleuning van de stoelen voor geplaatst, waardoor het kussen ten opzichte van de inzittende altijd de optimale positie inneemt, ongeacht de stand van de stoel; – de headbag is een “gordijn”-systeem en bevindt zich in de hemelbekleding aan de zijkant; de headbag is afgedekt met een afwerklijst, waardoor het kussen naar beneden wordt opgeblazen. De headbag is ontwikkeld om bescherming te bieden aan het hoofd en zorgt ervoor dat de inzittenden tijdens een zijdelingse botsing maximaal zijn beschermd. De uitvoering in “gordijn”-vorm levert de beste prestaties, dankzij het grote effectieve oppervlak en het zelfrichtende effect, ook zonder dat het kussen wordt ondersteund; bovendien biedt het ook bescherming voor de achterpassagiers. Bij een zijdelingse aanrijding verwe ...
  • Page 63

    BELANGRIJK Na een ongeval waarbij de airbag in werking is getreden, dient u zicht tot de Alfa Romeo-dealer te wenden om de airbag, de elektronische regeleenheid, de veiligheidsgordels en de gordelspanners te laten vervangen en de werking van de elektrische installatie te laten controleren. Alle controlewerkzaamheden, reparaties en vervanging van de airbag moeten door de Alfa Romeo-dealer worden uitgevoerd. Aan het einde van de lange levensduur van uw auto, moet u contact opnemen met de Alfa Romeo-dealer om het systeem buiten werking te laten stellen. Bij verkoop van de auto moet de nieuwe eigenaar op de hoogte gesteld worden van het gebruik en de instructies, en moet hij het instructieboekje ontvangen. BELANGRIJK Het in werking treden van de gordelspanners, de airbags voor en de zij-airbags wordt door de elektronische regeleenheid bepaald, afhankelijk van het type ongeval. Als een van deze onderdelen niet in werking treedt, dan duidt dat niet op een storing in het sy ...
  • Page 64

    Als de contactsleutel in stand MAR staat, kunnen, ook bij uitgezette motor, de airbags inschakelen als de auto stilstaat en de auto frontaal wordt aangereden door een andere auto die met voldoende snelheid rijdt. Daarom mogen, ook als de auto stilstaat, absoluut geen kinderen op de passagiersstoel voor worden geplaatst. Als bij een stilstaande auto en met uitgenomen contactsleutel de airbags bij een ongeval niet in werking treden, betekent dit niet dat het systeem niet goed werkt. Laat bij diefstal of een poging tot diefstal, bij beschadiging of als de auto bij een overstroming onder water is geweest, de airbag door een Alfa Romeo-dealer controleren. Bij auto’s die zijn uitgerust met side-bags, mag de rugleuning van de stoel niet met water of stoom onder hoge druk worden gereinigd in een automatisch wasapparaat. Bij auto’s met side-bags mag de rugleuning van de voorstoelen niet worden bedekt met hoezen of kleden. De airbag is geen vervanging voor de v ...
  • Page 65

    Met de linker hendel bedient u de buitenverlichting, behalve de mistlampen voor en het mistachterlicht. Als de buitenverlichting wordt ingeschakeld, gaan ook de instrumentenpaneelverlichting en de symboolverlichting van de bedieningsknoppen op het dashboard branden. Tegelijkertijd gaat op het instrumentenpaneel lampje 3 branden. Dimlichten (fig. 63) De dimlichten worden ingeschakeld als u de draaiknop van stand 6 in stand 2 zet. fig. 63 P4U00080 Alleen als het contactslot in stand PARK staat, blijft de buitenverlichting branden, ongeacht de stand van de draaiknop. De buitenverlichting wordt ingeschakeld als u de draaiknop van stand O in stand 6 zet. fig. 61 64 fig. 62 P4U00083 HENDEL LINKS Buitenverlichting (fig. 62) Als de draaiknop in stand 2 staat, dan kan worden overgeschakeld tussen dimen grootlicht door de hendel naar het dashboard te drukken (vergrendelde stand). Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje 1 branden. Als ver ...
  • Page 66

    Het grootlichtsignaal kan worden gegeven door de hendel naar het stuurwiel te trekken (onvergrendelde stand) ongeacht de stand van de draaiknop. Tegelijkertijd gaat op het instrumentenpaneel lampje 1 branden. BELANGRIJK Het grootlichtsignaal wordt gegeven met het grootlicht. Om bekeuringen te vermijden, dient u zich aan de geldende verkeerswetgeving te houden. Richtingaanwijzers (pijlen) (fig. 66) Plaats de hendel in de (vergrendelde) stand: Omhoog - de rechter richtingaanwijzers worden ingeschakeld. Omlaag - de linker richtingaanwijzers worden ingeschakeld. Tegelijkertijd gaat op het instrumentenpaneel het controlelampje ( Î of ¥ ) branden. P4U00080 Grootlichtsignaal (fig. 65) Als het stuurwiel weer in de rechtuitstand komt, dan schakelen de richtingaanwijzers automatisch uit en komt de hendel weer in de middelste stand. BELANGRIJK Als u kort richting wilt aangeven, voor het uitvoeren van een manoeuvre waar voor het stuur wiel slechts weinig hoeft te wor ...
  • Page 67

    Draai als de hendel in stand B staat, draaiknop (F) op één van de vier intervalstanden: ■ = lang interval ■■ = gemiddeld interval ■■■ = gemiddeld-kort interval ■■■■ = kort interval C - Langzaam continu wissen. In stand E werken de ruitenwissers, zolang u de hendel met de hand in deze stand houdt. Als u de hendel loslaat, springt deze direct weer in stand A en schakelen de ruitenwissers automatisch uit. Koplampsproeiers (fig. 70) (indien aanwezig) Deze treden in werking als u, bij ingeschakeld dim-/grootlicht, de ruitensproeiers inschakelt. Ruitensproeiers (fig. 69) P4U00086 E - Tijdelijk snel wissen (onvergrendelde stand). Als u de hendel naar het stuur trekt (onvergrendelde stand), schakelen de ruitensproeiers in.Als u de hendel aangetrokken houdt, schakelen de ruitenwissers in stand continu in. Als u de hendel loslaat, zal de wisser nog enkele slagen maken en vervolgens uitschakelen of doorgaan in de gekozen stand. P4U00088 D - Snel continu ...
  • Page 68

    P4U00090 INSTRUMENTEN fig. 71 - uitvoeringen: T.SPARK 67 ...
  • Page 69

    P4U00091 fig. 72 - uitvoering: 2.5 V6 24V 68 ...
  • Page 70

    P4U00092 fig. 73 - uitvoeringen: JTD 69 ...
  • Page 71

    Op het display wordt weergegeven: – op de eerste regel (6 cijfers) de totaalstand; – op de tweede regel (4 cijfers) de dagstand of de buitentemperatuur (indien van toepassing). Houd om de dagteller op nul te zetten de drukknop (A-fig. 74) even ingedrukt. C - Checkpanel (fig. 75) Het checkpanel geeft eventuele defecten of onregelmatigheden aan die de werking van de auto of de veiligheid negatief kunnen beïnvloeden. Het checkpanel controleert het volgende: 1) Werking van de controle-/waarschuwingslampje. Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaan de lampjes branden. Na enkele seconden doven de volgende lampjes: A - Storing in ABS B - Storing in airbag C - Startblokkering Alfa Romeo CODE D - Te laag remvloeistofniveau en/of handrem aangetrokken 2) Portieren of kofferdeksel geopend. Als u de sleutel in stand MAR draait en één van de lampjes met het auto-symbool (E) gaat branden, dan betekent dit dat het betreffende portier en het kofferdeksel niet goed z ...
  • Page 72

    Als de wijzernaald in het rode gebied staat, dan draait de motor met extreem hoge toerentallen. Het is raadzaam deze toerentallen slechts kort aan te houden. BELANGRIJK Het meetbereik en de gevarenzone (rood) van de toerenteller zijn afhankelijk van de motoruitvoering van de auto. BELANGRIJK De regeleenheid van de elektronische inspuiting blokkeert tijdelijk de toevoer van brandstof als de motor met te hoge toerentallen draait, waardoor het motorvermogen zal afnemen. E - Brandstofmeter met waarschuwingslampje van de reservebrandstof Dit instrument geeft het brandstofniveau in de tank aan. kunnen wijzigingen in het brandstofniveau iets vertraagd worden aangegeven. Een elektronische regelsysteem voorkomt dat de wijzernaald heen en weer schommelt als gevolg van het klotsen van de brandstof tijdens het rijden. F - Klokje (fig. 76) Het klokje is een elektronisch kwarts klokje. Druk voor het instellen van de tijd op knop (A). Elke keer als u het knopje indrukt, vers ...
  • Page 73

    H - Controle-/waarschuwingslampjes BELANGRIJK De aanwezigheid van een lampje is afhankelijk van de motoruitvoering en de uitrusting van de auto. laag remvloeistofniveau x Teen/of handrem aangetrok- in airbag ¬ Storing Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Het moet na ongeveer 4 seconden doven. Het lampje gaat constant branden bij een storing in de werking van de airbag. v Te lage motoroliedruk Het lampje moet doven als de motor stationair draait. Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Het moet doven nadat de motor is gestart. ken Als het lampje gaat branden, dan is of de remvloeistof in het reservoir onder het minimum niveau gedaald, bijvoorbeeld door lekkage in het remsysteem, of is de handrem aangetrokken. Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Het moet na ongeveer 4 seconden doven. Als het lampje x tijdens het rijden gaat branden, moet u controleren of d ...
  • Page 74

    lage laadstroom w Te naar accu Het lampje moet doven als de motor draait (bij stationair draaiende motor kan het lampje iets later doven). Als het lampje blijft branden, dan moet u zich onmiddellijk tot de Alfa Romeo-dealer wenden. Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Het moet doven nadat de motor is gestart. < Veiligheidsgordels niet omgelegd Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Het moet na ongeveer 15 seconden doven. Het lampje (indien aanwezig) brandt continu als de contactsleutel in stand MAR staat en de veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde niet is omgelegd. d Versleten remblokken Het lampje gaat branden als u het rempedaal intrapt en de remblokken voor zijn versleten; laat deze zo snel mogelijk vervangen. Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Het moet na ongeveer 4 seconden doven. BELANGRIJK Omdat de auto is uitgerust met een slijtage-indicator ...
  • Page 75

    Als u de contactsleutel in stand MAR draait en het lampje U gaat niet branden of het gaat branden of knipperen tijdens het rijden, dan dient u zo snel mogelijk contact op te nemen met de Alfa Romeodealer. Startblokkering ¢ Alfa Romeo CODE Als u de contactsleutel in stand MAR draait, dan knippert het lampje één keer en daarna dooft het. Als de contactsleutel in stand MAR staat en het lampje blijft branden, dan duidt dit op een storing: zie “Alfa Romeo CODE”. BELANGRIJK Als de lampjes ¢ en tegelijkertijd branden, dan duidt dit op een storing in de Alfa Romeo CODE. U Voorgloei-bougies m (JTD-uitvoeringen) U Storing in inspuit-systeem (JTD-uitvoeringen) Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Het moet na ongeveer 4 seconden doven. Als het waarschuwingslampje constant blijft branden of tijdens het rijden gaat branden, moet u onmiddellijk stoppen en contact opnemen met een Alfa Romeodealer. 74 Het lampje gaat brande ...
  • Page 76

    > Storing in ABS Het lampje gaat branden bij een storing in het ABS-systeem. Het conventionele remsysteem blijft werken. Neem zo spoedig mogelijk contact op met de Alfa Romeo-dealer. Als u de sleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Het moet na 4 seconden weer doven De auto is uitgerust met een elektronische remdrukverdeling (EBD). Als bij een draaiende motor tegelijkertijd de waarschuwingslampjes > en x gaan branden, dan is er een storing in het EBD-systeem; in dat geval kunnen bij hard remmen de achterwielen vroegtijdig blokkeren waardoor de auto kan gaan slippen. Rijd zeer voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Alfa Romeo-dealer om het systeem te laten controleren. Als bij een draaiende motor alleen het waarschuwingslampje > gaat branden, dan is er een storing in het ABS-systeem. In dat geval werkt het conventionele remsysteem op de normale manier, terwijl geen gebruik wordt gemaakt van het anti-blokkeersysteem. Onder deze omstandigheden kan ook ...
  • Page 77

    R Richtingaanwijzers links (knipperend) Het lampje gaat branden als de richtingaanwijzerhendel (pijlen) omlaag wordt gezet of samen met het lampje van de rechter richtingaanwijzer, als de drukknop voor de waarschuwingsknipperlichten wordt ingedrukt. E Richtingaanwijzers rechts (knipperend) Het GROENE lampje gaat branden als de richtingaanwijzerhendel (pijlen) omhoog wordt gezet of samen met het lampje van de linker richtingaanwijzer, als de drukknop voor de waarschuwingsknipperlichten wordt ingedrukt. 4 Mistachterlicht Het lampje gaat branden als het mistachterlicht wordt ingeschakeld. Het lampje gaat branden als de mistlampen voor worden ingeschakeld. Buitenverlichting en 3 dimlichten Het lampje gaat branden als de buitenverlichting of de dimlichten worden ingeschakeld. Storing in verlichting Het lampje gaat branden als er een storing is in één van de volgende systemen: – – – – remlichten mistachterlicht buitenverlichting kentekenverlicht ...
  • Page 78

    P4U00096 KLIMAATREGELING 1 Luchtroosters in het midden voor ontwasemen/ontdooien van voorruit. 2 Verstelbare zijroosters boven. 3 Luchtroosters voor ontwasemen/ontdooien van zijruiten voor. 4 Verstel- en regelbare uitstroomopeningen aan zijkant. 5 Verstelbaar luchtrooster boven. 6 Verstel- en regelbare luchtroosters in het midden. 7 Luchtroosters in beenruimte voor. 8 Luchtroosters in beenruimte achter. 9 Verstel- en regelbare uitstroomopeningen achter. fig. 77 77 ...
  • Page 79

    BOVENSTE LUCHTROOSTER VERSTELLEN (fig. 78) LUCHTROOSTERS IN HET MIDDEN VERSTELLEN (fig. 78) Het rooster (1) kan met knop (B) worden geopend en gesloten. Beide roosters (2) zijn voorzien van een hendeltje (A) waarmee de luchtstroom in horizontale richting kan worden afgesteld. De luchtopbrengst kan met wieltje (C) worden geregeld. P4U00097 = Geheel geopend. ● = Geheel gesloten. Fig. 81: zitplaatsen achter (op de tunnelconsole tussen de stoelen) ZIJROOSTERS BOVEN VERSTELLEN (fig. 79) Bedien voor het regelen van de luchtopbrengst de hendeltjes (A) voor het openen/sluiten. De luchtstroom kan gericht worden door de uitstroomopening te draaien met de lamellen. P4U00099 P4U00098 fig. 78 78 VERSTELBARE EN REGELBARE UITSTROOMOPENINGEN Fig. 80: zitplaatsen voor (aan de uiteinden van het dashboard) Aan beide uiteinden van het dashboard bevindt zich een regelbaar luchtrooster (A) voor de ventilatie in de auto en een vast luchtrooster (B) voo ...
  • Page 80

    VERWARMING EN VENTILATIE BESCHRIJVING BEDIENINGSKNOPPEN (fig. 82) A - Draaiknop regeling luchttemperatuur; B - Draaiknop regeling aanjagersnelheid; C - Draaiknop regeling luchtverdeling; D - Drukknop in-/uitschakelen luchtrecirculatie; E - Drukknop in-/uitschakelen achterruitverwarming. Draaiknop voor luchtverdeling Door de draaiknop (C) met het merkteken tegenover de symbolen te zetten, kunnen de volgende standen worden gekozen: P4U00101 Draaiknop voor regeling luchttemperatuur Draai knop (A) rechts- of linksom om de temperatuur van de lucht naar het interieur resp. te verhogen of verlagen Draaiknop voor regeling aanjagersnelheid Met knop (B) kan een van de aanjagersnelheden worden gekozen, waardoor de hoeveelheid lucht naar het interieur kan worden ingesteld: – In stand 0 wordt er uitsluitend lucht door de rijwind (bij een rijdende auto) in het interieur gevoerd. – In de standen 1 t/m 4 worden achtereenvolgens de vier snelheden van de aanjager ingeschakeld; ...
  • Page 81

    BELANGRIJK Het verdient aanbeveling om de recirculatiefunctie in te schakelen in de file of in tunnels. Hiermee wordt voorkomen dat vervuilde lucht het interieur bereikt.Het is raadzaam het systeem niet lang achter elkaar te gebruiken, vooral niet als u met meerdere personen in de auto zit. BELANGRIJK Met de recirculatiefunctie kan de lucht sneller verwarmd worden als de behandelde lucht een hogere temperatuur heeft dan de buitenlucht. Het is echter niet raadzaam deze functie in te schakelen op regenachtige of koude dagen, omdat dan de ruiten aan de binnenzijde aanzienlijk sneller beslaan. Drukknop voor in-/uitschakelen achterruitverwarming Als u knop ( (E) indrukt, worden de achterruitverwarming en (indien aanwezig) de spiegelverwarming ingeschakeld, en gaat het betreffende lampje branden. De functie is voorzien van een tijdschakeling, waardoor de functie na enige minuten automatisch wordt uitgeschakeld. U kunt de verwarming eerder uitschakelen door nogmaals de knop in ...
  • Page 82

    ONTWASEMING EN/OF ONDOOIIING VAN DE VOORRUIT EN ZIJRUITEN VOOR – Schakel de recirculatie uit (lampje op knop (D) gedoofd), als deze was ingeschakeld. – Draai knop (A) voor regeling van de temperatuur rechtsom in de uiterste stand (RODE gebied). – Zet knop (B) voor regeling van de luchtopbrengst op de maximale aanjagersnelheid. – Zet knop (C) voor de luchtverdeling op symbool -. Nadat de ruiten ontwasemd/ontdooid zijn, kan een stand gekozen worden waarbij het zicht en het comfort optimaal blijven. BELANGRIJK Ontdooien vindt het snelst plaats bij een warme motor. BELANGRIJK Als het buiten extreem vochtig is en/of bij regen en/of bij grote verschillen in interieur- en buitentemperatuur, raden wij u de volgende procedure aan om het beslaan van de ruiten te voorkomen: – luchtrecirculatie uitgeschakeld, lampje op knop (D) gedoofd; – draaiknop voor temperatuur van de lucht uit de uitstroomopeningen (A) in het rode gebied; – aanjager ten minste in stand 3; – draaikn ...
  • Page 83

    BESCHRIJVING BEDIENINGSKNOPPEN (fig. 83) den resp. de functies voor maximale koeling en maximale verwarming ingeschakeld. A - Draaiknop regeling luchttemperatuur; B - Draaiknop regeling aanjagersnelheid; C - Draaiknop luchtverdeling; D - Drukknop voor in-/uitschakeling aircocompressor; E - Drukknop voor in-/uitschakeling luchtrecirculatie; F - Drukknop voor in-/uitschakeling achterruit- en spiegelverwarming. Draaiknop voor regeling aanjagersnelheid Draaiknop voor regeling luchttemperatuur Draai de knop (A) rechts- of linksom om de temperatuur van de lucht naar het interieur resp. te verhogen of verlagen – in stand 0 om de airconditioning volledig uit te schakelen en de luchtrecirculatie in te schakelen: U kunt de recirculatiefunctie uitschakelen met drukknop (E). Als de draaiknop in stand 0 staat en de recirculatie is uitgeschakeld, kan er rijwind in de auto komen; – kies stand AUTO voor een optimale werking van het systeem zodat zo snel mogelijk de gewenst ...
  • Page 84

    Drukknop voor in-/ uitschakelen airconditioning Als u op knop (D) drukt, schakelt de aircocompressor in, behalve als draaiknop (B) voor regeling van de aanjagersnelheid in stand 0 staat. Als het systeem is ingeschakeld, brandt het betreffende lampje. De compressor werkt alleen bij een draaiende motor. Als de gewenste temperatuur lager is dan de buitentemperatuur, wordt de compressor automatisch ingeschakeld en gaat het lampje op knop (D) branden. Automatische of handmatige bediening van de compressor Automatische werking van compressor inschakelen. Ga als volgt te werk fig. 83: Uitgangsomstandigheden: – contactsleutel in stand STOP; – draai knop (A) rechtsom in de uiterste stand (maximale verwarming); – zet draaiknop (B) in stand 0; – zet draaiknop (C) in stand ¥. Automatische werking inschakelen: – draai de contactsleutel in stand MAR (zonder de motor te starten); – zet knop (B) achtereenvolgens in stand AUTO-0-AUTO-0; – draai de contactsleutel in stand STOP ...
  • Page 85

    Drukknop voor in-/uitschakelen achterruitverwarming Als u knop ( (F) indrukt, dan worden de achterruit- en de spiegelverwarming ingeschakeld en gaat het bijbehorende lampje branden. De functie is voorzien van een tijdschakeling, waardoor de functie na enige minuten automatisch wordt uitgeschakeld. U kunt de verwarming eerder uitschakelen door nogmaals de knop in te drukken. Temperatuursensoren De sensor voor de interieurtemperatuur (G-fig. 84) bevindt zich op het instrumentenpaneel naast de knop voor regeling van de luchttemperatuur. De sensor voor de buitentemperatuur bevindt zich onder de buitenspiegel aan de passagierszijde (H-fig. 85). BELANGRIJK De sensoren mogen nooit worden opengemaakt. Wendt u bij twijfel over de juiste werking tot de Alfa Romeo-dealer. P4U00103 BELANGRIJK Plak geen stickers of andere plaatjes op de elektrische weerstandsdraden aan de binnenzijde van de achterruit om beschadiging van de achterruitverwarming te voorkomen. Let er bij ...
  • Page 86

    Pollenfilter met actievekooldeeltjes Het filter reinigt de lucht mechanisch via het elektrostatische principe, zodat de in het interieur ingevoerde lucht gezuiverd is en geen stofdeeltjes, pollen enz. bevat. Een niet tijdig vervangen filter kan het rendement van de klimaatregeling aanzienlijk beperken. Voor een gematigde koeling moet u de temperatuur verhogen door draaiknop (A) rechtsom te draaien. Ga voor het koelen van de lucht, bij draaiende motor en gesloten ruiten, als volgt te werk: Als de werking van de compressor automatisch wordt geregeld en met draaiknop (A) een lagere temperatuur wordt ingesteld dan de buitentemperatuur, wordt de compressor automatisch ingeschakeld en gaat het lampje op knop (D) branden. Het filter werkt als er buitenlucht in het interieur stroomt (recirculatie uitgeschakeld) en functioneert het best als de ruiten zijn gesloten – zet knop (A) voor de temperatuurregeling in de gewenste stand. BELANGRIJK Ga voor maximale koeli ...
  • Page 87

    ONTWASEMING EN/OF ONTDOOIING VAN DE VOORRUIT EN ZIJRUITEN VOOR – schakel de recirculatie uit (lampje op knop (E) gedoofd), als deze was ingeschakeld. – zet draaiknop (C) voor de luchtverdeling op symbool -. – schakel de compressor in, lampje op knop (D) brandt. Nadat de ruiten ontwasemd/ontdooid zijn, kan een stand gekozen worden waarbij het zicht en het comfort optimaal blijven. BELANGRIJK Ontdooien vindt het snelst plaats bij een warme motor. BELANGRIJK Als het buiten extreem vochtig is en/of bij regen en/of bij grote verschillen in interieur- en buitentemperatuur, raden wij u de volgende procedure aan om het beslaan van de ruiten te voorkomen: – luchtrecirculatie uitgeschakeld, lampje op knop (E) gedoofd; – draaiknop voor de aanjager ten minste in stand 2; 86 – zet de knop van de luchtverdeling (C) op symbool - met de mogelijkheid stand ≤ in te schakelen als de ruiten dreigen te beslaan; – aircocompressor ingeschakeld, lampje op knop (D) brandt. BELANG ...
  • Page 88

    VERWARMING Ga voor het instellen van de gewenste temperatuur als volgt te werk: – Zet knop (A) voor de temperatuurregeling in de gewenste stand. – Draai knop (B) voor de luchtopbrengst: – op de gewenste snelheid om de luchttoevoer te regelen – in stand AUTO voor automatische werking van de aanjager. – Draaiknop (C) regeling luchtverdeling: µ Luchtstroom naar de bovenste luchtroosters in het midden en aan de zijkant, naar de luchtroosters in het midden en uit de uitstroomopeningen aan de zijkant en achter en de uitstroomopeningen in de beenruimten (bij een koele of koude buitentemperatuur). BELANGRIJK Ga voor maximale verwarming als volgt te werk: – draai knop (A) rechtsom in de uiterste stand (maximale temperatuur); – zet draaiknop (B) op AUTO. Op deze manier wordt snel een maximale temperatuur verkregen met een maximale luchtopbrengst (zie (*) bij de tabel Functies van de automatisch geregelde airconditioning). Het verdient aanbeveling om de airconditioning s ...
  • Page 89

    AUTOMATISCH GEREGELDE AIRCONDITIONING Uitgevoerde handeling Automatisch geregelde functie Zichtbare melding Reden Starten van de auto (contactsleutel in stand MAR) Inschakeling compressor als de gewenste temperatuur lager of gelijk is aan de buitentemperatuur (•) Lampje op knop (D) brandt Om de gewenste temperatuur snel te bereiken en te handhaven Ingestelde temperatuur wijzigen (knop (A) rechtsom/linksom draaien) Inschakeling compressor als de gewenste temperatuur lager of gelijk is aan de buitentemperatuur (•) Lampje op knop (D) brandt Om de gewenste temperatuur snel te bereiken en te handhaven Inschakeling recirculatie (op knop (E)drukken) Inschakeling compressor (••) Lampjes op de knoppen (E) branden Inschakeling compressor Uitschakeling recirculatie Inschakeling achterruitverwarming Maximale luchtopbrengst (*) Maximale luchttemperatuur (**) Lampje op knop (D) brandt Lampje op knop (E) gedoofd Lampje op knop ...
  • Page 90

    (alleen JTD-uitvoeringen indien aanwezig) De hulpverwarming ondersteunt de opwarming van de motorkoelvloeistof direct na het starten en tijdens het rijden voor een snellere verwarming van het interieur bij extreem lage buitentemperaturen. Het elektrische systeem werkt volledig automatisch en schakelt alleen in bij een draaiende motor. De hulpverwarming wordt ingeschakeld op basis van de temperatuur van de motorkoelvloeistof. De maximale verwarming wordt bereikt als de koelvloeistof erg koud is. Om de accu niet te veel uit te putten, is de inschakeling van de verwarming op de verschillende vermogens afhankelijk van de door de regeleenheid vastgestelde voedingsspanning. BELANGRIJK De hulpverwarming wordt ingeschakeld op basis van de temperatuur van de motorkoelvloeistof en kan, afhankelijk van de accuspanning, uitgeschakeld of beperkt worden. Als de opwarmcyclus door de hulpverwarming op basis van de koelvloeistoftemperatuur en de accuspanning, is beëindigd, sch ...
  • Page 91

    Druk voor inschakeling op knop (A), ongeacht de stand van de contactsleutel. Als het systeem is ingeschakeld, knippert het lampje in de schakelaar en werken de richtingaanwijzers en de controlelampjes voor de richtingaanwijzers op het instrumentenpaneel. Druk de schakelaar nogmaals in om het systeem uit te schakelen. BELANGRIJK Houdt u bij het gebruik van de mistlampen aan de geldende verkeersvoorschriften. Het systeem voldoet aan de EU-normen. P4U00029 Het gebruik van de waarschuwingsknipperlichten is afhankelijk van de wetgeving van het land waarin u zich bevindt. Houdt u aan de voorschriften. MISTLAMPEN VOOR (fig. 88) (indien aanwezig) Druk voor inschakeling op knop (B). De lampen werken alleen als de buitenverlichting is ingeschakeld. Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje 5 branden. Als u de contactsleutel in stand STOP draait, schakelen de mistlampen voor automatisch uit. De lampen schakelen pas weer in als na het starten opnieuw op knop ...
  • Page 92

    LICHTSTERKTEREGELING INSTRUMENTENPANEEL(fig. 89) BRANDSTOFNOODSCHAKELAAR (fig. 90) Druk voor het regelen van de lichtsterkte van het instrumentenpaneel, bij ingeschakelde buitenverlichting, op knop (A). Deze veiligheidsschakelaar springt omhoog bij een botsing boven een bepaalde intensiteit, waardoor de toevoer van brandstof wordt gestopt en de motor afslaat. Telkens als u knop (A) indrukt, wordt achtereenvolgens één van de drie vastgestelde lichtsterktes geselecteerd: laaggemiddeld-hoog. TANKKLEPJE OPENEN (fig. 91) U kunt het tankklepje van binnenuit ontgrendelen door de voorzijde van hendel (A) omhoog te trekken. Als u na een ongeval een brandstoflucht ruikt of merkt dat het brandstofsysteem lekt, druk dan de schakelaar niet terug, zodat brand wordt voorkomen. fig. 89 fig. 90 P4U00038 P4U00106 P4U00105 Als u geen brandstoflekkage waarneemt en de auto kan nog verder rijden, druk dan op knop (A) om de brandstoftoevoer weer te herstellen. ...
  • Page 93

    Bedieningsknop (A) naast de stuurwielkolom kan in vier standen worden gezet die overeenkomen met één van de onderstaande beladingsgraden. Als de auto beladen is, moet de hoogte van de koplampen worden afgesteld. Stand 0: 1 of 2 personen op de voorstoelen, volle brandstoftank, standaard boorduitrusting (in rijklare staat); Stand 1: 5 inzittenden; Stand 2: 5 inzittenden en bagage in bagageruimte (ongeveer 50 kg); Stand 3: 1 persoon (de bestuurder) en 300 kg in de bagageruimte. De handrem bevindt zich tussen de voorstoelen. U kunt de handrem inschakelen door de hendel omhoog te trekken, totdat de auto niet meer kan rollen. Als de contactsleutel in stand MAR staat, gaat op het instrumentenpaneel het waarschuwingslampje x branden. De auto moet geblokkeerd zijn als de hendel enkele tanden is aangetrokken. Als dit niet het geval is, laat dan de Alfa Romeo-dealer de handrem afstellen. P4U00107 Controleer de afstelling van de koplampen telkens als het gewicht va ...
  • Page 94

    – Trek hendel (A-fig. 93) iets omhoog en druk de vergrendelknop (B) in. – Houd de knop ingedrukt en laat de hendel zakken; lampje x op het instrumentenpaneel dooft. Om onverwachte bewegingen van de auto te voorkomen, moet bij het bedienen van de handrem het rempedaal worden ingetrapt. BELANGRIJK De handremhendel (A) is voorzien van een beveiligingsmechanisme. Dit mechanisme voorkomt dat per ongeluk de handrem wordt uitgeschakeld als bij aangetrokken hendel knop (B) wordt ingedrukt. Voor het uitschakelen van de handrem moet u daarom niet alleen knop (B) indrukken, maar ook hendel (A) iets omhoog trekken, zodat het beveiligingsmechanisme uitschakelt. Zet vervolgens de hendel geheel omlaag. VERSNELLINGSPOOK (fig. 94) Afhankelijk van de uitvoering is de auto uitgerust met een handgeschakelde versnellingsbak met vijf of zes versnellingen (zie hoofdstuk “Technische gegevens”). De positie van de afzonderlijke versnellingen is met een symbool op de knop van de versnellingspo ...
  • Page 95

    De uitvoering 2.0 T.SPARK is leverbaar met een elektronisch geregelde, mechanische versnellingsbak “Selespeed”. BELANGRIJK Het verdient beslist aanbeveling om dit hoofdstuk zorgvuldig te lezen, zodat u Selespeed op de juiste wijze gebruikt. Hierdoor bent u vanaf het begin op de hoogte van de juiste handelingen en in staat om deze uit te voeren. Selespeed bestaat uit een normale mechanische versnellingsbak, waaraan een elektronisch geregeld elektrohydraulisch systeem is toegevoegd. Dit systeem bedient automatisch de koppeling en regelt het overschakelen. – automatisch CITY waarbij het systeem beslist over het overschakelen (deze werking kan worden gekozen met knop B-fig. 95). Overschakelen vindt plaats met de selectorhendel (A-fig. 95), die altijd vanzelf terugkeert in de middenstand. Als u tijdens de automatische werking CITY handmatig overschakelt, dan gaat het systeem er vanuit dat u de sequentiële werking wilt inschakelen. Het systeem werkt vervolgens sequentiee ...
  • Page 96

    De ingeschakelde versnelling wordt aangegeven op het display van de toerenteller (A-fig. 97). De symbolen op het display zijn: N 1 2 3 4 5 R = = = = = = = Vrijstand; eerste versnelling; tweede versnelling; derde versnelling; vierde versnelling; vijfde versnelling; Achteruit. Selespeed maakt het gebruik van de auto aanzienlijk eenvoudiger, vermindert de vermoeidheid als in de stad wordt gereden of als vaak geschakeld moet worden, en levert tegelijkertijd uitstekende prestaties. SYSTEEM INSCHAKELEN A B P4U00308 Bij een storing of bij voor de auto of de versnellingsbak schadelijke bedrijfsomstandigheden gaat het waarschuwingslampje (B-fig. 97) branden en hoort u een geluidssignaal (bijv. bij een oververhitte koppeling). BELANGRIJK Als u het bestuurdersportier opent, dan schakelt Selespeed het hydraulische deel van het systeem in, zodat het systeem gereed is als de motor wordt gestart. Deze functie kan worden waargenomen door het draai ...
  • Page 97

    BELANGRIJK Voordat u de selectorhendel gebruikt, moet op het display beslist de ingeschakelde versnelling (N, 1, 2, 3, 4, 5, R) worden weergegeven. Als de motor niet draait en de auto stilstaat, kunnen alle versnellingen worden ingeschakeld. – om terug te schakelen (–) (fig. 98) moet u de hendel naar achteren drukken (als de auto in de vijfde versnelling staat, wordt de vierde ingeschakeld, in de vierde wordt de derde ingeschakeld en zo verder tot de eerste versnelling). Om de vrijstand (N) in te schakelen moet u bij stilstaande auto en ingetrapt rempedaal de selectorhendel naar rechts (fig. 99) verplaatsen. P4U00309 Als de auto stilstaat en het rempedaal is ingetrapt, kunt u alleen overschakelen met de selectorhendel op de middenconsole. Om een versnelling in te schakelen moet u het rempedaal ingetrapt houden en: BELANGRIJK Als een versnelling wordt ingeschakeld, moet de selectorhendel onmiddellijk worden losgelaten, nadat de versnelling is ingeschakeld. Als ...
  • Page 98

    BELANGRIJK Als u de auto parkeert op een helling en een versnelling wilt inschakelen om wegrijden te voorkomen, moet u beslist op het multifunctionele display controleren of de nieuwe versnelling wordt weergegeven en vervolgens twee seconden wachten voordat het rempedaal wordt losgelaten. Hierdoor heeft de koppeling de tijd om volledig aan te grijpen. MOTOR STARTEN U kunt de motor starten zowel bij een ingeschakelde versnelling als bij een versnellingsbak in de vrijstand (N). BELANGRIJK Houd het rempedaal ingetrapt tijdens het starten. Als het rempedaal herhaaldelijk wordt ingetrapt bij een afgezette motor, is er meer kracht vereist. In een dergelijke situatie moet voor het starten van de motor het rempedaal krachtiger worden ingetrapt. Na het starten schakelt de versnellingsbak automatisch de vrijstand in, verschijnt op het display de letter (N) en schakelt het systeem de sequentiële (handmatige) werking in. Als de motor niet aanslaat en een versnelling is ingescha ...
  • Page 99

    Verlaat de auto NOOIT als de versnellingsbak in de vrijstand (N) staat. Verwijder de contactsleutel nooit als de auto rijdt. Selespeed werkt niet juist zolang de auto niet stilstaat, maar bovendien blokkeert het stuurslot bij de eerste stuurbeweging. Het is beslist noodzakelijk om het rempedaal ingetrapt te houden als de motor wordt uitgezet en Selespeed uitschakelt: laat het pedaal pas los als het multifunctionele display op de toerenteller is gedoofd. 98 WEGRIJDEN Bij draaiende motor en stilstaande auto, kunt u alleen de eerste (1), de tweede (2) en/of de achteruit (R) inschakelen. De versnellingen kunnen bij ingetrapt rempedaal alleen met de selectorhendel op de middenconsole worden ingeschakeld. De knoppen op het stuurwiel werken alleen bij een snelheid boven 10 km/h. BELANGRIJK De achteruit (R) kan vanuit de volgende versnellingen worden ingeschakeld: vrij (N), eerste (1) of tweede (2) versnelling. Als de auto rijdt, dan wordt de achteruit niet in ...
  • Page 100

    BELANGRIJKE TIPS – houd het rempedaal altijd ingetrapt bij stilstaande auto en ingeschakelde versnelling; laat het rempedaal pas los als u wilt wegrijden; – zet de versnellingsbak in de vrijstand als de auto lang stilstaat met een draaiende motor; – als de auto stilstaat op een helling, maak dan geen gebruik van het gaspedaal om wegrollen te voorkomen; gebruik hiervoor het rempedaal; gebruik het gaspedaal alleen om weg te rijden; – gebruik uitsluitend de tweede versnelling voor het wegrijden, als u meer controle over manoeuvres bij lage snelheid wilt hebben (zoals bij gladheid); – schakel alleen vanuit de achteruit de eerste versnelling in of omgekeerd, als de auto geheel stilstaat en het rempedaal is ingetrapt. Hoewel het beslist wordt afgeraden, kan het door onvoorziene omstandigheden voorkomen dat bij een afdaling de auto in de vrijstand (N) naar beneden rolt. Als u vervolgens een versnelling inschakelt, dan schakelt het systeem automatisch de versnelling in, di ...
  • Page 101

    Om de auto stil te zetten hoeft u slechts het gaspedaal los te laten en, zo nodig, het rempedaal in te trappen. Onafhankelijk van de gekozen versnelling en de ingeschakelde functie (sequentieel of CITY) ontkoppelt het systeem en wordt er teruggeschakeld. Als u weer wilt optrekken voordat de auto geheel stilstaat, is op deze wijze altijd de meest geschikte versnelling voor het optrekken ingeschakeld. Als het systeem “sequentieel” wordt bediend, wordt op het display van de toerenteller de ingeschakelde versnelling weergegeven. Bij deze bedieningswijze ligt de beslissing om over te schakelen bij de bestuurder. Overschakelen kan plaatsvinden met behulp van: – de selectorhendel op de middenconsole (A-fig. 101); – de knoppen op het stuur (fig. 102); deze kunnen alleen worden bediend bij een snelheid boven 10 km/h. De “sequentiële” bediening wordt ingeschakeld: – automatisch bij het starten van de motor; – als bij ingeschakelde CITY-functie: – de selectorhendel of de kn ...
  • Page 102

    – verlagen en vervolgens verhogen van het motorkoppel; – aanpassen van het toerental aan de nieuwe versnelling. Bij terugschakelen wordt automatisch het toerental verhoogd, zodat het toerental is aangepast aan de nieuwe versnelling. Het systeem kan in de vrijstand (N) worden gezet bij een snelheid lager dan 20 km/h. Het systeem kan alleen in de achteruit (R) worden gezet als de auto stilstaat. Als het gaspedaal meer dan 60% van de totale slag is ingetrapt en bij een toerental hoger dan 5000/min vindt het overschakelen sneller plaats. Als de “sequentiële” werking is ingeschakeld, dan zijn er enige voorzieningen/beveiligingen die het rijden makkelijker maken: – tijdens het afremmen ontkoppelt het systeem en wordt automatisch teruggeschakeld, zodat de juiste versnelling is ingeschakeld als weer moet worden opgetrokken; als de auto tot stilstand wordt gebracht, wordt automatisch de eerste versnelling (1) ingeschakeld; – als geschakeld wordt naar een versnelling terwijl ...
  • Page 103

    STORINGSMELDINGEN Storingen in de Selespeed worden aangegeven door het rode waarschuwingslampje t (A-fig. 104) op het instrumentenpaneel. Als u de contactsleutel in stand MAR draait en daarmee het systeem inschakelt, dan moet het lampje continu gedurende 4 seconden branden. P4U00313 Als het lampje blijft knipperen, dan is een storing gevonden in de versnellingsbak; tegelijkertijd klinkt gedurende 4 seconden een pulserend geluidssignaal om de bestuurder op deze situatie te attenderen. A fig. 104 102 Als het lampje gaat knipperen, dient u zich zo snel mogelijk tot de Alfa Romeo-dealer te wenden om de storing te laten verhelpen. Bij een storing aan de selectorhendel, schakelt het systeem automatisch de automatische werking CITY in, zodat de dichtstbijzijnde Alfa Romeo-dealer bereikt kan worden en de storing kan worden verholpen. Bij een storing aan andere componenten van de versnellingsbak kunnen slechts enkele versnellingen worden ingeschakeld: de eers ...
  • Page 104

    PARKEREN Om de auto veilig te parkeren moet beslist de eerste versnelling (1) of de achteruit (R) worden ingeschakeld. Als u op een helling parkeert, moet ook de handrem worden aangetrokken. Als de motor wordt uitgezet op een helling bij een ingeschakelde versnelling, dan is het beslist nodig om te wachten tot het display de ingeschakelde versnelling aangeeft voordat het rempedaal wordt losgelaten. Hierdoor heeft de koppeling de tijd om volledig in te schakelen. Als de versnellingsbak in de vrijstand (N) staat en u wilt een versnelling inschakelen om te parkeren, dan moet u het systeem inschakelen, het rempedaal intrappen en de versnelling (1) of (R) kiezen. SLEPEN VAN DE AUTO Start de motor niet als de auto wordt gesleept. BELANGRIJK Houdt u bij het slepen van de auto aan de wettelijke voorschriften. Controleer of de versnellingsbak in de vrijstand (N) staat (controleer of de auto rolt als er tegen wordt geduwd) en sleep de auto zoals een auto met een hand ...
  • Page 105

    MOTOR STARTEN De motor kan alleen gestart worden als de selectorhendel (fig. 105) in stand P of N staat. (indien aanwezig) De uitvoering 2.5 V6 24V kan zijn uitgerust met een automatische versnellingsbak Q-System. Naast de normale functies kunt u handmatig de versnellingen inschakelen door de selectorhendel in het daarvoor bestemde deel te plaatsen P4U00314 BELANGRIJK Lees alle informatie op deze en de volgende pagina’s zorgvuldig door, zodat u voordat u met de auto gaat rijden, op de hoogte bent van de juiste werking van onder andere de beveiligingssystemen Shift-lock en Key-lock, waarmee de automatische transmissie is uitgerust. Uit veiligheidsoverwegingen is het raadzaam de motor te starten terwijl het rempedaal is ingetrapt. BELANGRIJK Bij het wegrijden, na het starten van de motor, mag het gaspedaal voor en tijdens het verplaatsen van de selectorhendel niet worden ingetrapt. Dit geldt in het bijzonder als de motor koud is. WEGRIJDEN Houd na het starte ...
  • Page 106

    In geval van nood (storingen, lege accu, enz.) kan de sleutel ook uit het contactslot worden genomen als de selectorhendel niet in stand P staat. Druk met een vinger op de ontgrendelknop (A-fig. 107) nabij het start-/contactslot onder de bekleding, en verwijder gelijktijdig de sleutel. KEUZE VOOR HANDMATIGE OF AUTOMATISCHE BEDIENING De belangrijkste eigenschap van deze versnellingsbak is dat hij automatisch of handmatig bediend kan worden. De automatische werking wordt ingeschakeld als de selectorhendel in het rechter gedeelte wordt geplaatst en de handmatige bediening als de hendel in het linker gedeelte geplaatst wordt. De wijze van werking en de ingeschakelde versnelling worden weergegeven op het display van de toerenteller (Afig. 108). Verlang de eerste kilometers geen maximale prestaties, maar wacht tot de motor op bedrijfstemperatuur is. AUTOMATISCHE WERKING Selectorhendel Voor de automatische werking moet de selectorhendel in het rechter gedeelte (fig. ...
  • Page 107

    P - Parkeren Om het per ongeluk inschakelen van een verkeerde stand te voorkomen, kan de hendel alleen in stand P worden geplaatst als de schuifring (A-fig. 109) onder de selectorhendel omhoog wordt getrokken. Plaats de hendel in deze stand als u de auto parkeert. Een mechanisme blokkeert dan de aangedreven wielen. Trek de handrem altijd volledig aan voordat u de auto verlaat. Plaats de hendel in stand P als u de auto bij een draaiende motor verlaat. Als de hendel in stand R staat, schakelen de achteruitrijlichten in en hoort u een akoestisch signaal dat u erop attendeert dat de achteruit is ingeschakeld. Trap het rempedaal in voordat u de hendel verplaatst: de auto moet stilstaan. BELANGRIJK Als de hendel in stand R staat, wordt de achteruit niet ingeschakeld als de snelheid van de auto hoger is dan de vastgestelde limiet. Als de snelheid onder deze waarde komt, schakelt de achteruit in, ook als de snelheid weer boven de limiet komt. N - Vrijstand Deze stand ...
  • Page 108

    De kick-down wordt automatisch buiten werking gesteld als het ICE-programma wordt ingeschakeld. SCHAKELPROGRAMMA KIEZEN De automatische versnellingsbak van de Alfa Romeo 156 wordt elektronisch geregeld en beschikt over drie verschillende schakelprogramma’s, waardoor altijd de beste resultaten wat betreft, rijcomfort, brandstofverbruik, sportieve prestaties en veiligheid, worden gegarandeerd. De drie programma’s CITY, SPORT en ICE kunnen gekozen worden met de 2 drukknoppen op de tunnelconsole (fig. 110). van het instrumentenpaneel het betreffende opschrift verlicht: CITY (knop C/S (A-fig. 110) ingedrukt):Deze stand kan worden gebruikt bij normale rijomstandigheden: het verzekert u van een groot rijcomfort en een economisch brandstofverbruik door het overschakelen van versnellingen bij relatief lage toerentallen. SPORT (knop gedrukt): (A-fig. 110) in- Deze stand kan worden gebruikt wanneer u de maximale prestaties van uw auto verlangt bij een sportieve rijst ...
  • Page 109

    Plaats voor de handmatige bediening de selectorhendel in het linker gedeelte (fig. 111). De hendel kan alleen vanuit stand D in het linker gedeelte geplaatst worden. De handmatige bediening kan onder alle rij-omstandigheden worden ingeschakeld. Echter alleen die versnelling kan worden ingeschakeld die overeenkomt met het motortoerental en de snelheid van de auto. De versnellingen worden ingeschakeld zoals bij een normale handgeschakelde versnellingsbak. Als de handmatige bediening is ingeschakeld (Q-System) en u wilt een hogere versnelling inschakelen voor een snelle acceleratie (bijv. bij inhalen), moet handmatig worden opgeschakeld, zoals bij auto’s met een handgeschakelde versnellingsbak. Als u de hendel in stand D zet, werkt het systeem weer automatisch en worden de versnellingen gekozen op basis van de rij-eigenschappen en het geselecteerde programma. P4U00320 AUTO STILZETTEN Voor het stilzetten van de auto hoeft alleen het rempedaal ingetrapt te ...
  • Page 110

    Lampje brandt constant Knipperend lampje Als het lampje constant gaat branden, dan heeft de transmissie-olie de maximale temperatuur bereikt. Als het lampje tijdens het rijden gaat knipperen, dan is er een storing in de automatische versnellingsbak. Het automatische controlesysteem beschikt over een noodprogramma.Onder deze omstandigheden raden wij u aan de auto stil te zetten en de motor uit te zetten: als de motor weer wordt gestart kan het zelfdiagnose-systeem de storing, die door het elektronische controlesysteem wordt opgeslagen, hebben verholpen. Als de storing blijft (lampje (A- fig. 112) knippert), moeten de versnellingen handmatig worden ingeschakeld, zoals bij een auto met handgeschakelde versnellingsbak. Houd er rekening mee dat alleen de 2 e en 4 e versnelling beschikbaar zijn (zie onderstaande tabel): Het automatische controlesysteem beschikt over een noodprogramma. Het is in ieder geval raadzaam de auto stil te zetten, de selectorhendel in stand ...
  • Page 111

    Als zich tijdens het rijden een storing in de versnellingsbak voordoet, kan de blokkering van de achteruit niet zijn ingeschakeld: plaats tijdens het rijden de selectorhendel absoluut niet in stand R. AKOESTISCH WAARSCHUWINGSSYSTEEM Dit systeem treedt ongeveer 18 seconden in werking als: – het portier aan bestuurderszijde wordt geopend, de motor is afgezet en de selectorhendel niet in stand P staat; – als stand R (achteruit) wordt ingeschakeld. ROLLEND STARTEN De auto kan niet worden gestart door hem aan te duwen of te slepen.In geval van nood (storingen, lege accu, enz.) kan de auto worden gestart met een hulpaccu volgens de aanwijzingen in het hoofdstuk “Noodgevallen”. 110 SLEPEN VAN DE AUTO Start de motor niet als de auto wordt gesleept. BELANGRIJK Houdt u bij het slepen van de auto aan de wettelijke voorschriften. Houdt u bovendien aan de aanwijzingen in het hoofdstuk “Noodgevallen”. Bij het slepen moeten de volgende voorzorgsmaatregelen in ach ...
  • Page 112

    Als u het kastje opent als de contactsleutel in stand MAR staat, dan gaat de verlichting in het kastje branden (B-fig. 114). DASHBOARDKASTJE Het dashboardkastje is voorzien van een binnenverlichting en een klepje met slot. Het slot kan worden geopend en gesloten met de contactsleutel. In de klep zit een uitsparing (C-fig. 114) om een pen of potlood in te leggen. HANDGREPEN (fig. 115) Bij het portier aan passagierszijde voor bevindt zich een steunhandgreep. Rijd niet met een geopend dashboardkastje: dit kan de voorpassagier verwonden bij een ongeval. Bij beide achterportieren is een handgreep (A) geplaatst met een kledinghaakje (B). P4U00110 fig. 113 De plafondverlichting bestaat uit twee lampjes met een bijbehorende schakelaar. Als schakelaar (A) in de middelste stand (1) staat, dan gaan beide lampjes branden als een portier wordt geopend Als de portieren gesloten worden, blijft de interieurverlichting nog ongeveer 7 seconden branden als hulp tijden ...
  • Page 113

    Met schakelaar (B) in de middelste stand (0) gaan de lampjes niet branden. Als u de zonneklep aan passagierszijde naar beneden plaatst, wordt de spiegelverlichting in de hemelbekleding zichtbaar. Door de verlichting kan het spiegeltje ook bij weinig licht gebruikt worden. fig. 116 112 Bij ieder achterportier bevindt zich een plafondlampje dat automatisch inschakelt bij het openen van het portier. De verlichting heeft een tijdschakeling en de werking is hetzelfde als bij de plafondverlichting voor. De lampjes gaan branden of doven als u op het rondje van het lampenglas (A) drukt. Bij de uitvoering Sportwagon is de verlichting ook aanwezig achter de zonneklep aan de bestuurderszijde. U bedient de verlichting met schakelaar (A) en de start-/contactsleutel in stand MAR. P4U00113 BELANGRIJK Controleer voordat u de auto verlaat of beide schakelaars in de middelste stand staan. Op deze manier zullen de lampjes van de plafondverlichting doven na het sluiten ...
  • Page 114

    PLAFONDVERLICHTING MIDDENACHTER (fig. 119) (alleen bij uitvoeringen met opendak) Het plafondlampje is voorzien van een schakelaar met drie standen. Als schakelaar (A) in de middelste stand (O) staat, gaat het plafondlampje branden als een portier wordt geopend. De verlichting heeft een tijdschakeling en de werking is hetzelfde als bij de plafondverlichting voor. BELANGRIJK Controleer voordat u de auto verlaat of de schakelaar (A) in de middelste stand (O) staat. Op deze manier dooft de plafondverlichting na het sluiten van de portieren. ASBAK VOOR EN AANSTEKER (fig. 120) Open het beschermdeksel (A) door erop te drukken en los te laten. Als u de schakelaar naar links (stand 2) schuift, blijft de plafondverlichting altijd branden. De asbak kan uit de houder worden getrokken om te worden geleegd of schoongemaakt. Controleer altijd of de aansteker na het indrukken ook uitschakelt. Gebruik de asbak niet als prullenbak: papiertjes en dergelijke kunnen door ...
  • Page 115

    ASBAK ACHTER (fig. 121) Op iedere achterportier bevindt zich een asbak (A). Opbergvak links (fig. 123) Centraal opbergvak (fig. 122) Als de auto niet is uitgerust met een autoradio dan is er een opbergvak aanwezig. Dit is voorzien van een neerklapbaar deksel (A) waarmee wordt voorkomen dat voorwerpen naar buiten vallen. Aan de onderzijde van het dashboard, links van het stuurwiel, bevindt zich een opbergvak (A). DOCUMENTENVAK OP DE VOORPORTIEREN (fig. 124) Op ieder voorportier bevindt zich een documentenvakje (A). P4U00119 Open de asbak in de richting van de pijl om deze te gebruiken en druk de lip in om de asbak te verwijderen. OPBERGVAKKEN OP HET DASHBOARD fig. 121 114 P4U00121 P4U00120 P4U00118 fig. 122 fig. 123 fig. 124 ...
  • Page 116

    OPBERGVAK OP DE MIDDENCONSOLE (fig. 125) ZONNEKLEPPEN (fig. 126) P4U00122 Op de tunnelconsole, naast de handrem, bevindt zich een opbergvak (A). Ze kunnen voor de voorruit of voor de zijruit worden gedraaid. Op de achterkant van de zonnekleppen bevindt zich een afsluitbaar spiegeltje (A), dat verlicht wordt door plafondlampje (B). INBOUWVOORBEREIDING TELEPASS (fig. 127) Als optional kan de auto zijn uitgerust met een speciale binnenspiegel met een opening (A) voor de elektrische aansluiting van een Telepass-module. Deze module kan bij gespecialiseerde zaken worden aangeschaft. P4U00124 P4U00249 fig. 126 INBOUWVOORBEREIDING TELEFOON Als optional kan de auto zijn uitgerust met een inbouwvoorbereiding voor een mobiele telefoon. De voorbereiding bestaat uit: Duw de Telepass-module in de zitting totdat u een klik hoort. fig. 125 Duw de klemveer (B) naar beneden en neem de Telepass-module uit. – complete inbouwvoorbereiding autoradio (zond ...
  • Page 117

    OPENDAK Open het dak niet bij sneeuw of ijs: het kan dan beschadigd worden. (indien aanwezig) Druk op de achterzijde (1) van schakelaar (A) om het dak te openen en op de voorzijde (2) om het dak te sluiten. Zodra u de schakelaar loslaat, blijft het dak in de stand staan waarin het zich op dat moment bevindt. Bij bepaalde uitvoeringen, blijft het dak tijdens het openen automatisch in een tussenstand (“Comfort”) staan. Deze stand wordt aanbevolen als u met een matige snelheid rijdt. U opent het dak volledig fig. 128 116 Het opendak is voorzien van een met de hand verschuifbaar zonnescherm dat het binnendringen van direct zonlicht verhindert. Het zonnescherm kan met behulp van een handgreep worden verschoven. Het zonnescherm wordt meegenomen door het dak, als het dak geopend wordt. Als het opendak geheel geopend is, dan is het zonnescherm geheel achter de hemelbekleding geschoven. Als het opendak wordt gesloten, dan schuift het zonnescherm iets uit, z ...
  • Page 118

    fig. 131 BEDIENING IN NOODGEVALLEN Het omhoog kantelen (fig. 131) is alleen bij geheel gesloten dak mogelijk door op de voorzijde (2) van schakelaar (A - f i g . 1 3 2 ) te drukken. Druk op de achterzijde (1) van schakelaar (A-fig. 132) om het dak weer in horizontale stand te zetten (opendak gesloten). Als het opendak niet elektrisch bediend kan worden, dan kan het ook handmatig worden bediend; ga hiervoor als volgt te werk: 1. Licht het rooster bij de door de pijl aangegeven punten op en verwijder het rooster met de schakelaar (D-fig. 132). 2. Druk de daarvoor bestemde sleutel (B-fig. 133) (in het dashboardkastje) in het bedieningsmechanisme van het opendak (C-fig. 133) en draai het rechtsom om het dak te openen en linksom om het te sluiten. fig. 132 P4U00129 BELANGRIJK Als het dak handmatig is geopend of gesloten, draait u de sleutel eerst een halve slag terug totdat u een klik hoort, en pas daarna verwijdert u de sleutel. P4U00127 Verwijd ...
  • Page 119

    Het kofferdeksel kan zowel van binnenuit als van buitenaf worden geopend. BELANGRIJK Als het kofferdeksel niet goed gesloten is, gaat het betreffende waarschuwingslampje van het checkpanel branden. VAN BINNENUIT OPENEN (fig. 134) Het kofferdeksel kan van binnenuit worden geopend door aan de hendel (A) naast de bestuurdersstoel te trekken. VAN BUITENAF OPENEN MET DE SLEUTEL (fig. 135) Draai het embleem (A) in de door de pijl aangegeven richting, steek de sleutel (B) in het slot en draai het linksom. fig. 134 118 Het kofferdeksel kan van buitenaf worden geopend met de afstandsbediening door knopje (A) op de sleutel in te drukken, ook als het diefstalalarm (indien aanwezig) is ingeschakeld. Als bij auto’s met diefstalalarm het kofferdeksel wordt geopend, dan worden de interieurbeveiliging en de kofferdekselsensor uitgeschakeld. Het systeem geeft dan (behalve bij sommige uitvoeringen in enkele landen) twee geluidssignalen (“BIEP”) en de richtingaanwijzers gaan ...
  • Page 120

    U sluit het kofferdeksel door het kofferdeksel te laten zakken en ter hoogte van het slot te duwen, totdat u de vergrendeling hoort. BAGAGERUIMTEVERLICHTING (fig. 137) Als u het kofferdeksel opent, dan gaat automatisch de verlichting (A) aan de bovenzijde van de bagageruimte branden. BAGAGE VASTZETTEN (fig. 138-139) De vervoerde bagage kan met riemen of spanbanden worden bevestigd aan de daarvoor bestemde ringen in de hoeken van de bagageruimte. De ringen dienen ook voor het bevestigen van de eventueel aanwezige bagagenetten (deze zijn leverbaar via de Alfa Romeodealer). P4U00131 KOFFERDEKSEL SLUITEN De verlichting dooft als u het kofferdeksel sluit of na enkele minuten (ongeveer 20) als u het kofferdeksel open laat. Als u in dit laatste geval de verlichting weer wilt inschakelen, moet u het kofferdeksel sluiten en vervolgens weer openen. P4U00132 P4U00130 fig. 138 AANWIJZINGEN VOOR HET VERVOER VAN BAGAGE Als u voorwerpen vervoert en u ‘s nachts ...
  • Page 121

    Als u in een gebied rijdt waar brandstof moeilijk verkrijgbaar is en u daarom reservebrandstof in een jerrycan wilt vervoeren, dan dient u zich aan de geldende wetgeving te houden. Gebruik alleen een goedgekeurde jerrycan en bevestig deze op de juiste wijze. Toch zal bij een ongeval de kans op brand groter zijn. MOTORKAP De hendel voor het openen van de motorkap bevindt zich uiterst links onder het dashboard. Openen: – trek aan de hendel (A-fig. 140) totdat u de ontgrendeling hoort. Voer deze handeling alleen uit bij een stilstaande auto. – druk haak (B-fig. 141) van de beveiliging omhoog. fig. 140 120 P4U00037 P4U00036 – til de motorkap op. fig. 141 GEVAAR - ERNSTIGE VERWONDINGEN. Als u controle- of onderhoudswerkzaamheden in de motorruimte uitvoert, moet u er vooral op letten dat u uw hoofd niet stoot tegen het uitstekende deel van de motorkap. BELANGRIJK Het optillen van de motorkap wordt vergemakkelijkt door twee gasveren. Wij raden ...
  • Page 122

    KOPLAMPEN Goed afgestelde koplampen zijn belangrijk voor het comfort en de veiligheid van uzelf en de overige weggebruikers. Bovendien zijn er wettelijke voorschriften. Sluiten: – laat de motorkap tot op ongeveer 20 cm van de motorruimte zakken en vervolgens vallen. Controleer daarna of de motorkap goed is gesloten door deze op te tillen. De motorkap mag niet alleen door de beveiliging vergrendeld zijn. Druk in dit laatste geval de motorkap niet dicht, maar til hem opnieuw op en herhaal de handeling. Controleer altijd of de motorkap vergrendeld is, om te voorkomen dat deze tijdens het rijden open gaat. Voor controle of afstelling kunt u contact opnemen met de Alfa Romeo-dealer. De regelknop heeft vier standen die overeenkomen met de onderstaande beladingsgraad: Stand 0 - één of twee personen op de voorstoelen, volle brandstoftank, interieuruitrusting (in rijklare staat); Stand 1 - vijf personen; Stand 2 - vijf personen met bagage in de bagagerui ...
  • Page 123

    ABS De auto is uitgerust met een anti-blokkeerremsysteem (ABS). Het systeem voorkomt dat de wielen blokkeren, waardoor de beschikbare grip optimaal wordt benut en de auto ook tijdens een noodstop bestuurbaar en stabiel blijft. Voor controle of afstelling kunt u contact opnemen met de Alfa Romeo- P4U00133 dealer. fig. 143 122 Als het ABS in werking is getreden, merkt de bestuurder dit aan een trilling in het rempedaal, die gepaard gaat met enig geluid. Als bij een storing niet meer op het antiblokkeersysteem kan worden gerekend, zal de remcapaciteit van de auto absoluut niet minder zijn. Dit betekent niet dat het remsysteem niet goed werkt, maar geeft aan dat het ABS in werking treedt. Het geeft ook aan dat de grip op de weg verminderd is. Het is daarom noodzakelijk uw snelheid aan te passen aan de conditie van de weg. Als u niet eerder in een auto met ABS hebt gereden, raden wij u aan het systeem eerst een paar keer uit te proberen op een glad ...
  • Page 124

    Voor het beste gebruik van het antiblokkeersysteem, is het raadzaam de volgende aanwijzingen op te volgen: Het ABS maakt zoveel mogelijk gebruik van de beschikbare grip maar kan deze niet verhogen. Daarom moet op gladde weggedeelten altijd voorzichtig worden gereden en mogen geen onnodige risico’s worden genomen. Als het ABS in werking treedt, dan is de grip van de banden op het wegdek beperkt; u dient uw snelheid te verlagen en aan te passen aan de beschikbare grip. Bij een storing gaat het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel branden. Rijd met aangepaste snelheid naar een Alfa Romeo-dealer en laat het systeem volledig repareren. BELANGRIJK Op auto’s die met ABS zijn uitgerust, mogen uitsluitend door de fabriek voorgeschreven velgen, banden en remblokken gemonteerd worden. Het systeem wordt gecompleteerd met een elektronische remdrukverdeling EBD (Electronic Brake Distributor), die via de regeleenheid en de sensoren van het ABS de prestaties v ...
  • Page 125

    Als bij een draaiende motor alleen het waarschuwingslampje gaat branden, dan is er een storing in het ABS-systeem. In dat geval werkt het conventionele remsysteem op de normale manier, terwijl geen gebruik wordt gemaakt van het anti-blokkeersysteem. Onder deze omstandigheden kan ook de werking van het EBD-systeem verminderen. Ook in dit geval raden wij u aan onmiddellijk en zeer voor zichtig naar de dichtstbijzijnde Alfa Romeo-dealer te rijden, om het systeem te laten controleren. Als het waarschuwingslampje voor te laag remvloeistofniveau gaat branden, stop dan onmiddellijk de auto en neem contact op met de Alfa Romeo-dealer. Als er vloeistof lekt uit het hydraulische systeem, wordt de werking van zowel het conventionele remsysteem als het ABS in gevaar gebracht. 124 EOBD (MOTORMANAGEMENTSYSTEEM) (benzine-uitvoeringen) Het op de auto gemonteerde EOBD-systeem (European On Board Diagnosis) is conform de EU 98/69-richtlijnen (EURO 3). Dit diagnosesysteem voert ...
  • Page 126

    AUTORADIO De auto is voorbereid op de inbouw van een autoradio. Deze inbouwvoorbereiding is in drie verschillende uitvoeringen leverbaar, zoals hieronder beschreven is. STANDAARDVOORZIENING COMPLEET INBOUWPAKKET (zonder autoradio) (optional) COMPLEET INBOUWPAKKET MET AUTORADIO (optional) De auto kan, behalve met de componenten van de standaardvoorziening, worden uitgerust met: De auto kan, behalve met alle hiervoor beschreven componenten, ook worden uitgerust met een autoradio, waarvan drie verschillende uitvoeringen zijn: – luidsprekers en tweeters in de voorportieren De standaardvoorziening bestaat uit: – luidsprekers in de achterportieren – voedingskabels voor de autoradio – storings-onderdrukkers – kabels voor de luidsprekers voor in de portieren – kabels voor de luidsprekers achter in de portieren – regeleenheid antenne. – autoradio/cassettespeler; – autoradio/cassettespeler met geïntegreerde mobiele telefoon en dakantenne; – au ...
  • Page 127

    INBOUWVAK AUTORADIO (fig. 144) LUIDSPREKERS VOOR (fig. 145) (optional) De autoradio kan worden ingebouwd in de daarvoor bestemde ruimte op de middenconsole (A). De luidsprekers voor worden gemonteerd in de daarvoor bestemde openingen in de voorportieren. Na het verwijderen van het vak worden de coaxkabel van de antenne, een stekker voor de voeding van de autoradio en een stekker om de autoradio op de luidsprekers aan te sluiten bereikbaar. fig. 144 126 A - vakken voor tweeters B - vakken voor woofers LUIDSPREKERS ACHTER (fig. 146) (optional) P4U00134 P4U00135 De luidsprekers achter worden gemonteerd in de daarvoor bestemde openingen (A) in de achterportieren. P4U00119 Bij de Alfa Romeodealer zijn een autoradio en luidsprekers verkrijgbaar die speciaal voor de Alfa 156 zijn ontworpen.Laat de installatie van de autoradio en de luidsprekers uitsluitend door de Alfa Romeo-dealer uitvoeren. Zo bent u verzekerd van het beste resultaat en wor ...
  • Page 128

    Als de geluidsapparatuur (autoradio, CD-speler, cassettespeler, enz.) voorzien is van een “Diefstalbeveiligingscode”, dient u zich bij het loskoppelen/aansluiten van de accu of een andere onderbreking van de voeding strikt aan de instructies van de fabrikant te houden; omdat deze handelingen door de diefstalbeveiliging gezien worden als “ONGEAUTORISEERD”. TANKEN MET DE ALFA 156 BENZINEMOTOREN Omdat uw auto is voorzien van systemen om het milieu te beschermen mag uitsluitend loodvrije benzine met een octaangetal van ten minste 95 R.O.N. worden gebruikt. Om te voorkomen dat per ongeluk loodhoudende benzine wordt getankt, heeft de vulopening van de tank zodanige afmetingen dat er geen tankpistool voor loodhoudende benzine kan worden ingestoken. Een beschadigde katalysator laat schadelijke stoffen in het uitlaatgas achter, waardoor het milieu wordt vervuild. Tank nooit loodhoudende benzine omdat hierdoor de katalysator onherstelbaar kan beschadigen. Als in de ta ...
  • Page 129

    De dieselmotoren zijn uitsluitend geschikt voor dieselbrandstof voor motorvoertuigen (Europese specificaties EN590). Het gebruik van andere producten of mengsels kan de motor onherstelbaar beschadigen en het vervallen van de garantie tot gevolg hebben. Mocht u onverhoopt een ander type brandstof tanken, dan mag de motor niet worden gestart en moet de brandstoftank worden afgetapt. Ook als de motor slechts kort heeft gedraaid, moet naast de brandstoftank, ook alle brandstof uit de brandstofleidingen worden afgetapt. Bij buitentemperaturen onder –10 °C is het raadzaam, vooral als de auto langere tijd niet gebruikt wordt, de dieselbrandstof te mengen met het vorstbeveiligingsmiddel DIESEL MIX in de verhouding die in de gebruiksaanwijzing van het middel is aangegeven. DOP VAN BRANDSTOFTANK U kunt het tankklepje van binnenuit ontgrendelen door de voorzijde van hendel (A-fig. 147) omhoog te trekken.De tankdop zit met een koord aan het klepje vast om verlies van de ...
  • Page 130

    TANKKLEPJE OPENEN IN NOODGEVALLEN Als het niet lukt het tankklepje met hendel (A-fig. 147) te openen, trek dan aan het koordje (A-fig. 149) rechts in de bagageruimte. Bij het ontwerp en de productie is niet alleen rekening gehouden met traditionele aspecten, zoals prestaties en veiligheid, maar is er ook veel aandacht besteed aan de groeiende milieuproblemen. fig. 148 De materiaalkeuze en de technische systemen en speciale voorzieningen zijn het resultaat van inspanningen die er op gericht zijn om de vervuiling van het milieu drastisch terug te dringen. Uw auto voldoet dan ook aan de strengste internationale milieunormen. GEBRUIK VAN MILIEUVRIENDELIJKE MATERIALEN Geen enkel onderdeel van de auto bevat asbest. De vulling van de stoelen en de handbediende airconditioning bevatten geen CFK’s (chloorfluorkoolwaterstoffen), het gas dat waarschijnlijk de oorzaak is van het gat in de ozonlaag. P4U00137 P4U00420 Kom niet dicht bij de vulopening met open vu ...
  • Page 131

    EMISSIEREDUCTIESYSTEMEN (benzinemotoren) Driewegkatalysator Het uitlaatsysteem is voorzien van een katalysator, die bestaat uit edelmetaallegeringen. De katalysator bevindt zich in een roestvrijstalen houder, die bestand is tegen hoge bedrijfstemperaturen. De katalysator zet onverbrande koolwaterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden in het uitlaatgas om (ook al zijn deze dankzij het elektronische motormanagementsysteem, slechts in kleine hoeveelheden aanwezig) in niet schadelijke stoffen. Omdat tijdens de werking de katalysator zeer warm wordt, verdient het aanbeveling niet te parkeren boven brandbare materialen (papier, brandstof, gras, droge bladeren, enz.). 130 Lambdasonde De lambdasonde meet de hoeveelheid zuurstof in het uitlaatgas. De door de lambdasondes verzonden signalen worden door de regeleenheid van het motormanagementsysteem gebruikt om het lucht-/brandstofmengsel te regelen. Benzinedamp-opvangsysteem Het is onmogelijk, ook bij stilstaande m ...
  • Page 132

    CORRECT GEBRUIK VAN DE AUTO Door het volgende hoofdstuk aandachtig door te lezen en de vermelde aanwijzingen, suggesties, en voorschriften op te volgen, kunt u het beste uit uw Alfa 156 halen in termen van veiligheid, prestaties, betrouwbaarheid en levensduur. In de meeste gevallen gaat het om onderwerpen met een algemeen karakter. In andere gevallen gaat het specifiek om de werking van de Alfa Romeo 156. Lees de informatie dus aandachtig door zodat u uw auto op de beste manier kunt gebruiken. MOTOR STARTEN .................................................................. PAG. .132 PARKEREN ................................................................................... 135 VEILIG RIJDEN ............................................................................. 135 SNEEUWKETTINGEN ..................................................................... 144 ECONOMISCH EN MILIEUBEWUST RIJDEN ...................................... 144 TREKKEN VAN AANHANGERS .......... ...
  • Page 133

    MOTOR STARTEN BELANGRIJK De auto is uitgerust met elektronische startonderbreking. Zie “Alfa Romeo CODE” als de motor niet wil starten. Het is raadzaam om gedurende de eerste kilometers niet de maximale prestaties van uw auto te eisen (bijv. snel accelereren, langdurig rijden met hoge toerentallen, krachtig remmen, enz.). Het is zeer gevaarlijk om de motor in een afgesloten ruimte te laten draaien. De motor verbruikt zuurstof en produceert koolmonoxide, een zeer giftig en dodelijk gas. 132 Het contactslot is voorzien van een herstartbeveiliging. Als de motor bij de eerste poging niet aanslaat, moet u de sleutel terugdraaien in stand STOP en nogmaals starten. Laat de contactsleutel niet in stand MAR staan als de motor stilstaat. Het start-/contactslot is voorzien van een beveiligingsmechanisme, waardoor het slot niet van stand MAR in stand AVV kan worden gezet bij een draaiende motor. 5) Draai de start-/contactsleutel in stand AVV en laat hem los zo ...
  • Page 134

    Trap het gaspedaal hierbij niet herhaaldelijk in maar houdt het iets ingetrapt. BELANGRIJK Als de startpoging moeizaam verloopt, blijf dan niet langdurig proberen de motor te starten. Hierdoor zou de katalysator kunnen beschadigen. Wendt u in dat geval tot de Alfa Romeodealer. BELANGRIJK Bij de uitvoering 2.0 T.SPARK Selespeed moet het rempedaal ingetrapt worden gehouden tijdens het starten van de motor. Als het rempedaal herhaaldelijk wordt ingetrapt bij een afgezette motor, is er meer kracht vereist. In een dergelijke situatie moet voor het starten van de motor het rempedaal krachtiger worden ingetrapt DIESELMOTOR STARTEN 1) Zorg ervoor dat de handrem is aangetrokken. 2) Zet de versnellingspook in de vrijstand. 3) Draai de contactsleutel in stand MAR. Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje m branden. 4) Wacht tot het lampje m gedoofd is. Hoe warmer de motor, hoe sneller het lampje dooft. Bij een warme motor kan het lampje zo snel doven dat dit niet ...
  • Page 135

    NOODSTART Probeer auto’s niet te starten door ze aan te duwen, te slepen of van een helling af te laten rijden. Hierdoor kan de katalysator onherstelbaar beschadigen. STARTEN MET EEN HULPACCU ROLLEND STARTEN Probeer auto’s met katalysator nooit te starten door ze aan te duwen, te slepen of van een helling te laten rijden. Op die wijze kan er onverbrande brandstof in de katalysator terechtkomen, waardoor deze onherstelbaar zal beschadigen. Als de motor niet start (en de Alfa Romeo CODE werkt op de juiste wijze), start de motor dan met een hulpaccu, zoals wordt beschreven in het hoofdstuk “Noodgevallen”. Houd er rekening mee dat de rem- en stuurbekrachtiging niet werken zolang de motor niet is aangeslagen, waardoor meer kracht nodig is voor de bediening van het rempedaal en het stuur. 134 MOTOR UITZETTEN – Laat het gaspedaal los en wacht tot de motor met stationair toerental draait. – Draai de contactsleutel in stand STOP. Hierdoor wordt de motor ui ...
  • Page 136

    PARKEREN VEILIG RIJDEN – Controleer de werking en de conditie van de wisserbladen. Voer voor het parkeren van de auto de volgende handelingen uit: – Zet de motor uit. – Trek de handrem aan. – Schakel de 1e versnelling in als de auto op een helling omhoog staat en de achteruit bij een helling omlaag (gezien in de rijrichting). – Zet de voorwielen in een zodanige stand dat de auto onmiddellijk stopt als de handremhefboom per ongeluk naar beneden wordt gezet. In deze paragraaf worden tips en aanwijzingen gegeven voor een goed en veilig gebruik van uw auto onder diverse omstandigheden. – Controleer de werking van de buitenverlichting en reinig zonodig het lampenglas. Laat de contactsleutel niet in stand MAR staan als de motor stilstaat, zodat de accu niet onnodig wordt ontladen. Laat kinderen nooit alleen achter in de auto. Neem de sleutels altijd uit het contactslot als u de auto verlaat en neem de sleutels mee. Bovendien vindt u een aantal sugg ...
  • Page 137

    Overige tips: – Lange reizen moeten in optimale conditie worden gestart en zomogelijk van te voren worden gepland, vooral in perioden van grote drukte. – Een lichte en makkelijk verteerbare maaltijd bevordert het reactievermogen en de concentratie die noodzakelijk is om veilig te rijden. Het rijden onder invloed van alcohol, drugs en/of bepaalde medicijnen is zeer gevaarlijk.Onder deze omstandigheden mag u nooit achter het stuur plaatsnemen. Let op de dikte van eventuele extra vloermatten: zelfs een gering defect in het remsysteem kan tot gevolg hebben, dat het rempedaal dieper dan normaal moet worden ingetrapt. TIJDENS DE RIT – Voorzichtig rijden houdt ook in dat u alert bent op fouten en onvoorzichtigheden van anderen. Houdt u aan de maximum snelheden en gebruik op snelwegen zo veel mogelijk de rechter rijbaan. – Gebruik bij het wisselen van rijbaan de richtingaanwijzers. Rijd niet met voorwerpen op de vloer voor de bestuurdersstoel: tijdens het remmen ...
  • Page 138

    van het verwarmings- en ventilatiesysteem of van de airconditioning. – Rijd nooit van een helling af met een afgezette motor: u kunt dan niet op de motor afremmen en de rem- en stuurbekrachtiging werken niet, waardoor u met meer kracht op de rem moet trappen en aan het stuur moet draaien. – Parkeer bij pech de auto in de berm, schakel de waarschuwingsknipperlichten in en plaats de gevarendriehoek op de wettelijk verplichte afstand. U dient zich altijd aan de geldende verkeerswetgeving te houden. IN HET DONKER RIJDEN Rijden in het donker vergt veel meer concentratie, zowel fysiek als psychisch. Hierna volgen enkele tips voor het rijden in het donker: – Rijdt extra voorzichtig, beperk zonodig de snelheid, vooral op onverlichte wegen. – Bewaar een veilige afstand, groter dan overdag, tot de auto’s die voor u rijden. Het is moeilijk om de snelheid van andere auto’s te schatten als alleen de lichten te zien zijn. – Stop bij de eerste tekenen van slaperigheid en ga pa ...
  • Page 139

    IN DE BERGEN RIJDEN Het rijden in de bergen vereist extra aandacht. Hierna volgen enkele tips voor het rijden in de bergen: – Controleer voordat u vertrekt de vloeistofniveaus (motorolie,remvloeistof, koelvloeistof) en de conditie van de banden. – Rem zoveel mogelijk op de motor af en rijd in een lage versnelling bergafwaarts. Daarmee voorkomt u dat de remmen oververhit raken. – Rijd nooit naar beneden met afgezette motor of met de versnellingspook in de vrij-stand, en absoluut nooit met uitgenomen contactsleutel. – Rijd met een matige snelheid, en vermijd het “afsnijden” van bochten. – Denk eraan dat bergopwaarts inhalen veel langzamer gaat en dat de weg daarom langer vrij moet zijn. Als u wordt ingehaald terwijl u bergopwaarts rijdt, geef de passerende auto dan de ruimte. IN DE WINTER RIJDEN Als de temperatuur onder 0 °C daalt of bij sneeuw of ijzel raden wij u het volgende aan: 138 – Controleer voordat u vertrekt of de wisserbladen niet vast aan de voorruit zi ...
  • Page 140

    intrappen van het rempedaal, dan zijn de remblokken versleten tot de minimum toegestane dikte. Laat de remblokken zo snel mogelijk door de Alfa Romeo-dealer vervangen. Omdat de auto is uitgerust met een slijtage-indicator voor de remblokken voor moet u, als de remblokken worden vervangen, ook de remblokken achter laten controleren. De JTD-uitvoeringen beschikken alleen over een slijtagesensor op de rem linksvoor. – Remvloeistof is hygroscopisch (remvloeistof trekt water aan); vervang de remvloeistof iedere twee jaar, onafhankelijk van het aantal afgelegde kilometers, om beschadiging ven het remsysteem te voorkomen. Let op bij de montage van spoilers, lichtmetalen velgen en niet standaard wieldoppen: ze kunnen de ventilatie van de remmen verminderen en daarmee hun doelmatigheid tijdens krachtig en veelvuldig remmen; bijvoorbeeld tijdens een steile afdaling. Water, sneeuw en strooizout op wegen kunnen zich afzetten op de remschijven waardoor de gewenste remvertraging ...
  • Page 141

    Als bij een draaiende motor alleen het waarschuwingslampje > gaat branden, dan is er een storing in het ABS-systeem. In dat geval werkt het conventionele remsysteem op de normale manier, terwijl geen gebruik wordt gemaakt van het anti-blokkeersysteem. Onder deze omstandigheden kan ook de werking van het EBD-systeem verminderen. Ook in dit geval raden wij u aan onmiddellijk en zeer voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Alfa Romeo-dealer te rijden, om het systeem te laten controleren. Het ABS ontheft de bestuurder niet van de verplichting voorzichtig te rijden, vooral op gladde, besneeuwde of natte wegen. 140 STUURBEKRACHTIGING WISSERBLADEN De hydraulische stuurbekrachtiging werkt alleen bij een draaiende motor. Bij stilstaande motor moet daarom meer kracht worden uitgeoefend op het stuurwiel. Controleer regelmatig de ruitenwisserbladen. Versleten of vuile wisserbladen kunnen het zicht aanzienlijk verminderen. Reinig de ruiten regelmatig door ze te on ...
  • Page 142

    WIELEN Noodreservewiel De krik mag alleen gebruikt worden voor het ver wisselen van een wiel. Voer geen werkzaamheden uit onder de auto als deze is opgekrikt. Het reservewiel mag alleen in noodgevallen worden gebruikt. Het gebruik van het noodreservewiel moet tot een minimum beperkt blijven en er mag niet harder worden gereden dan 80 km/h. Bij een gemonteerd reservewiel veranderen de rij-eigenschappen van de auto. Vermijd met vol gas optrekken, bruusk remmen en hoge snelheden in de bochten. De door de fabrikant gemonteerde wielen (velgen en banden) passen het best bij de eigenschappen van de auto en garanderen een maximum aan veiligheid en comfort onder alle normale rij-omstandigheden. Als u de op de auto gemonteerde velgen of banden wilt vervangen, dient u eerst de tabel met de toegestane banden velgtypen in het hoofdstuk “Technische gegevens” te raadplegen. U kunt ook contact op te nemen met een Alfa Romeo-dealer. Houd altijd de combinatie tussen velg-/ ...
  • Page 143

    – Rijd met nieuwe banden de eerste 100 km niet met hoge snelheden. len met lichtmetalen velgen uitsluitend originele Alfa Romeo-balanceergewichten. – Beperk de snelheid in bochten, ook als de prestaties van de auto hogere snelheden toestaan. – De bandenspanning, inclusief die van het reservewiel moet overeenkomen met de voorgeschreven bandenspanning (zie hoofdstuk “Technische gegevens”). – Rijd niet langdurig met hoge snelheden, vooral niet op een slecht wegdek. – Zorg dat de wielen goed gebalanceerd zijn en de wieluitlijning goed is. – Voorkom dat de banden in contact komen met harde voorwerpen, zoals stoepranden (bijv. tijdens het parkeren van de auto). – Voer geen werkzaamheden uit aan het ventiel. – Plaats geen enkel soort gereedschap tussen velg en band. – Vervang velgen die vervormingen vertonen. – Vervang bij abnormaal spanningsverlies het wiel en laat de band controleren. – Gebruik voor het balanceren speciale balanceergewichten voor tubeless-banden. ...
  • Page 144

    Bandenspanning en slijtage Als de banden op de juiste spanning worden gehouden, neemt niet alleen de levensduur van de banden toe maar ook, omdat de wegligging er door wordt beïnvloed, de rijveiligheid. De spanning van de banden, inclusief het reservewiel, moet regelmatig en voor een lange rit worden gecontroleerd. De bandenspanning moet bij koude banden worden gecontroleerd; gebruik een manometer en houd de waarden aan die vermeld staan in het hoofdstuk “Technische gegevens”. Een onjuiste bandenspanning veroorzaakt een onregelmatige slijtage van de banden (fig. 2): – Een betere wegligging van de auto. – Een uiterst soepele en nauwkeuriger besturing. – Een lager brandstofverbruik door de geringe rolweerstand van het wiel. B - Te lage spanning: te grote slijtage aan de zijkanten van het loopvlak. Bij een te lage bandenspanning, ontstaat er een ongelijkmatige slijtage van het loopvlak (grotere slijtage aan de zijkanten) en wordt de band te heet. Hierdoor kunnen ond ...
  • Page 145

    SNEEUWKETTINGEN Het gebruik van sneeuwkettingen is afhankelijk van de voorschriften van het land waar wordt gereden. De sneeuwkettingen mogen alleen op de voorwielen gemonteerd worden (aangedreven wielen). Vanwege het sportieve karakter van de auto, kunnen er alleen speciale sneeuwkettingen worden gemonteerd. Alvorens u overgaat tot de aanschaf of het gebruik van sneeuwkettingen, raden wij u aan voor informatie de Alfa Romeodealer te raadplegen. Op het noodreservewiel mag geen sneeuwketting worden gemonteerd. Als u een lekke voorband hebt (aangedreven wiel) en er moet gebruik worden gemaakt van sneeuwkettingen, dan kunt u het noodreservewiel op de achteras plaatsen en het achterwiel op de vooras (pas zo snel mogelijk de bandenspanning aan). Zo hebt u op de vooras twee normale wielen waarop u sneeuwkettingen kunt monteren. 144 De gebruiksomstandigheden en de rijstijl hebben direct invloed op het brandstofverbruik en het milieu. Zonder van een dynamische rijs ...
  • Page 146

    ALGEMENE OPMERKINGEN Imperiaal/skidrager Aërodynamische accessoires ONDERHOUD VAN DE AUTO Verwijder de imperiaal of skidrager als u deze niet meer gebruikt. Ze verminderen de aërodynamica van de auto, waardoor het brandstofverbruik toeneemt. Gebruik voor het vervoer van volumineuze voorwerpen bij voorkeur een aanhanger. Het gebruik van niet goedgekeurde aërodynamische accessoires kan de aërodynamica negatief beïnvloeden, waardoor het brandstofverbruik zal toenemen. Stroomverbruikers Het starten Gebruik de elektrische installaties alleen als u ze nodig hebt. De achterruitverwarming, de verstralers, de ruitenwissers en de aanjager van het ventilatie-/verwarmingssysteem vragen veel stroom, waardoor het brandstofverbruik toeneemt (tot aan 25% in stadsverkeer). Laat de motor als de auto stilstaat, niet warmdraaien met stationair toerental en ook niet met een hoog toerental: onder deze omstandigheden warmt de motor veel langzamer op, terwijl het verbrui ...
  • Page 147

    Overbodige handelingen Trap het gaspedaal niet in als u stilstaat voor een stoplicht of voordat u de motor afzet.Deze handeling heeft evenals het overschakelen met tussengas geen enkel nut. Het kost brandstof en verhoogt de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen. Keuze van de versnellingen Gebruik als het verkeer en de weg het toelaten de hoogste versnelling. Het inschakelen van een lage versnelling voor een snelle acceleratie verhoogt het brandstofverbruik. Op dezelfde wijze neemt bij het oneigenlijke gebruik van een hoge versnelling, het verbruik en de schadelijke uitlaatgasemissie toe. Bovendien slijt de motor hierdoor sneller. Maximum snelheid Het brandstofverbruik neemt aanzienlijk toe bij een hogere snelheid: als de snelheid wordt verhoogd van 90 naar 120 km/h, neemt het brandstofverbruik met ongeveer 30% toe. Rijd daarom zoveel mogelijk met een gelijkmatige snelheid, vermijd overbodig remmen en optrekken. Dit kost brandstof en verhoogt de uitstoot van schadelij ...
  • Page 148

    Gebruik voor een noodstart uitsluitend een hulpaccu. Als de motor tijdens het rijden “slecht loopt”, rijd dan zeer rustig zodat de motor zo min mogelijk wordt belast en raadpleeg snel een Alfa Romeo-dealer. Als het waarschuwingslampje van de brandstofreserve brandt, tank dan zo snel mogelijk. Een laag brandstofniveau kan een onregelmatige brandstoftoevoer veroorzaken, waardoor de temperatuur van de uitlaatgassen stijgt; hierdoor kan de katalysator ernstig beschadigen. Tijdens lange afdalingen is het raadzaam om af en toe even gas te geven. Op deze manier wordt de levensduur van de katalysator verlengd. Laat de motor nooit, ook niet tijdens testwerkzaamheden, met losgenomen bougiekabels draaien. TREKKEN VAN AANHANGERS ALGEMENE INFORMATIE Voor het trekken van aanhangers moet de auto voorzien zijn van een trekhaak van een goedgekeurd type. De door Alfa Romeo geleverde trekhaak voldoet aan alle wettelijke veiligheidsnormen. Wij raden u aan de trekhaak door een Alfa R ...
  • Page 149

    In ieder geval mag het verticale gewicht op de trekhaak de waarde niet overschrijden die vermeld is in het hoofdstuk “Technische gegevens”. Controleer bij het aankoppelen van een aanhangwagen of caravan of de waarden van het aanhangergewicht (vermeld op de typegoedkeuring) en het maximum toegestane aanhangergewicht (vermeld op een sticker op de trekhaak), hoger of gelijk zijn aan die van het totale gewicht en de belasting op de trekkogel. Het ABS waarmee de auto is uitgerust, werkt niet op het remsysteem van de aanhanger. Wees daarom extra voorzichtig op gladde wegen. 148 Voer in geen geval modificaties aan het hydraulische remsysteem van de auto uit. AUTO LANGERE TIJD STALLEN BELANGRIJKE AANWIJZINGEN EN SUGGESTIES – Zet de auto in een overdekte, droge en zo mogelijk goed geventileerde ruimte. Hierna volgen enkele aanwijzingen voor het rijden met een aanhanger: – Monteer speciale en/of extra achteruitkijkspiegels, waarmee u voldoet aan de geld ...
  • Page 150

    – Schakel het diefstalalarm (indien aanwezig) uit met de afstandsbediening; stel vervolgens het systeem buiten werking met de noodsleutel. – Maak de accukabels los van de accu (koppel altijd eerst de minkabel los) en controleer de acculading. Gedurende het stallen moet deze controle iedere vier weken worden herhaald. Laad de accu op als de spanning lager is dan 12,5 Volt. WEER IN GEBRUIK NEMEN Als de auto langdurig niet gebruikt is en u wilt de auto weer in gebruik nemen, voer dan de volgende handelingen uit: – Stof de buitenzijde van de auto niet droog af. – Controleer de auto visueel op lekkage van vloeistoffen (olie, rem- en koppelingsvloeistof, koelvloeistof enz.). – Stel het diefstalalarm (indien aanwezig) weer in werking met de sleutelschakelaar. – Zet de versnellingspook in de vrijstand, start de motor en laat de motor enige minuten stationair draaien. Trap hierbij een aantal malen het koppelingspedaal in. – Vervang de motorolie en het oliefilter. – C ...
  • Page 151

    EXTRA ACCESSOIRES RADIOZENDAPPARATUUR EN MOBIELE TELEFOON SUGGESTIES VOOR NUTTIGE ACCESSOIRES Onafhankelijk van de wettelijk verplichtingen, raden wij u aan het volgende aan boord te hebben (fig. 3): – verbandtrommel met niet alcoholische, desinfecterende deppers, steriele gaascompressen, verbandgaas, pleisters, enz., – een zaklamp; – een schaar met afgeronde punten, – werkhandschoenen. De afgebeelde en beschreven voorwerpen zijn opgenomen in het Alfa Romeo Lineaccessori-programma. P4U00140 Mobiele telefoons en andere radiozendapparaten (bijvoorbeeld 27 mc) mogen alleen in de auto worden gebruikt als een aparte antenne aan de buitenkant van de auto wordt gemonteerd. Door het gebruik van een mobiele telefoon, een 27 mc-zender of gelijksoortige apparaten in de auto (zonder buitenantenne) ontstaan elektromagnetische velden die, als ze worden versterkt door de reflectie in het interieur, niet alleen schadelijk voor de gezondheid van de inzittenden kunnen zi ...
  • Page 152

    NOODGEVALLEN De volgende pagina’s zijn speciaal gemaakt om u in geval van nood te helpen. Zoals u ziet, worden er diverse kleine problemen behandeld; voor elk wordt beschreven wat u zelf kunt doen om het probleem te verhelpen. Bij eventuele grotere problemen is het echter nodig een Alfa Romeo-dealer te raadplegen. Wij raden u aan deze pagina’s te lezen. Dan kunt u de informatie als het nodig is, snel vinden. EEN LEKKE BAND ................................................................................... pag. DEFECTE BUITENVERLICHTING ................................................... DEFECTE INTERIEURVERLICHTING .............................................................. EEN DOORGEBRANDE ZEKERING OF RELAIS ......................................... EEN LEGE ACCU ................................................................................................ HET SLEPEN VAN DE AUTO ........................................................................... HET OPKRI ...
  • Page 153

    EEN LEKKE BAND Voor het verwisselen van het wiel en voor het juiste gebruik van de krik en het reservewiel moeten de onderstaande voorzorgsmaatregelen in acht worden genomen. Attendeer het overige wegverkeer op de stilstaande auto m.b.v.: de waarschuwingsknipperlichten, de gevarendriehoek, enz. Tijdens het verwisselen van een wiel moeten alle inzittenden de auto hebben verlaten, en op een veilige afstand van het verkeer wachten, totdat het wiel verwisseld is. Blokkeer de wielen met stenen of andere voorwerpen als de auto schuin op een helling of op een slecht wegdek staat. Start de motor niet als de auto is opgekrikt. Als de auto een aanhanger trekt, ontkoppel dan eerst de aanhanger en krik dan de auto op. 152 De krik dient uitsluitend voor het verwisselen van een wiel van de auto waarbij hij geleverd is. Gebruik de krik niet voor het opkrikken van andere auto’s en monteer geen reservewielen van andere auto’s. Als u het gemonteerde velgtype wilt verva ...
  • Page 154

    Op een sticker op de krik is het maximum hefvermogen aangegeven; de krik mag nooit voor een zwaardere last worden gebruikt. Het reservewiel is niet geschikt voor de montage van sneeuwkettingen. Als u een lekke voorband (aangedreven wiel) hebt en er moet met sneeuwkettingen worden gereden dan moet u een wiel van de achteras afhalen en daarvoor in de plaats het noodreservewiel monteren.Zo hebt u op de vooras twee normale wielen waarop uw sneeuwkettingen kunt monteren. Maak het ventiel absoluut niet open. Plaats geen enkel stuk gereedschap tussen velg en band. Controleer regelmatig de spanning van de banden en van het reservewiel en houdt u daarbij aan de waarden die beschreven staan in het hoofdstuk “Technische gegevens”. Krik de auto uitsluitend aan de zijkant op. De auto mag absoluut niet worden opgekrikt door de hefarm van de garagekrik onder de aluminium traverse van de achterwielophanging te plaatsen. Deze sticker mag absoluut niet worden verwijderd o ...
  • Page 155

    – Plaats de krik onder de auto, dichtbij het te verwisselen wiel. – Draai de wielbouten helemaal los (B-fig. 3) en verwijder het wiel. – Zorg ervoor dat de boutgaten en alle contactvlakken van het reservewiel schoon zijn en geen onzuiverheden bevatten, omdat hierdoor na verloop van tijd de wielbouten kunnen loslopen. – Monteer het reservewiel, waarbij één van de gaten (A-fig. 6) over de bijbehorende pen (B-fig. 6) moet vallen. fig. 2 P4U00144 P4U00142 – Draai met behulp van slinger (A-fig. 4) de krik omhoog, zodat de inkeping (B-fig. 5) aan de bovenzijde van de krik om het profiel onder de carrosserie (Cfig. 5) valt op ± 40 cm van de wielkuip. – Draai de slinger en krik de auto op, totdat het wiel enkele centimeters los van de grond is. fig. 4 P4U00143 P4U00145 P4U00397 – Draai de blokkeerschroef (handgreep) (A-fig. 1) los. – Neem de gereedschaphouder (B) uit en zet de houder dicht bij het te verwisselen wiel. – Neem het reservewiel (C) uit. ...
  • Page 156

    – Draai de bouten verder vast volgens de in fig. 7 aangegeven volgorde, zonder het wieldeksel te monteren. NORMALE WIEL MONTEREN – Volg de hiervoor beschreven procedure, krik de auto op en demonteer het reservewiel. – Monteer het normale wiel, waarbij één van de gaten (A-fig. 6) over de pen (B-fig. 6) moet vallen. – Draai de wielbouten vast. – Draai de centreerpen (A-fig. 8) los en draai de laatste bout vast. – Laat de auto zakken en verwijder de krik; haal vervolgens de wielbouten aan in de volgorde die hiervoor beschreven is voor het reservewiel (fig. 7). – Druk het wieldeksel (indien aanwezig) voorzichtig vast. Zorg ervoor dat het ventiel uit de opening in het wieldeksel steekt. Druk op de rand van het wieldeksel, te beginnen bij de delen die het dichtst bij het ventiel zitten, totdat het wieldeksel geheel vast zit. P4U00398 Gebruik bij uitvoeringen met lichtmetalen velgen de centreerpen. – Plaats het wiel op de pen en draai de vier bouten vast. fig ...
  • Page 157

    DEFECTE BUITENVERLICHTING – Als een lampje niet brandt, controleer dan eerst of de zekering niet doorgebrand is, voordat u de lamp vervangt. – Zie voor de plaats van de zekeringen de paragraaf “Een doorgebrande zekering” in dit hoofdstuk. – Controleer, voordat u een defecte lamp vervangt, of de contacten niet zijn geoxideerd. – Vervang een defecte lamp door een exemplaar van hetzelfde type en vermogen. – Als u een gloeilamp in de koplamp hebt vervangen, controleer dan om veiligheidsredenen altijd of de afstelling nog goed is. P4U00150 P4U00149 Modificaties of reparaties aan de elektrische installatie die niet correct worden uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt gehouden met de technische specificaties van het systeem, kunnen storingen in de werking en zelfs brandgevaar veroorzaken. ALGEMENE AANWIJZINGEN fig. 9 156 TYPEN GLOEILAMPEN (fig. 9) Op de auto zijn verschillende typen gloeilampen gemonteerd: A. Glasfittinglampen Deze zijn voorzien v ...
  • Page 158

    In de koplampunits zijn de gloeilampen voor de richtingaanwijzers, de parkeerverlichting, het dimlicht en het grootlicht gemonteerd. Monteer na het vervangen van een lamp het deksel door het rechtsom te draaien en zorg ervoor dat het deksel goed vast zit (geborgd). Verwijder om de gloeilampen voor de parkeerverlichting, het dimlicht en het grootlicht te vervangen het deksel door het linksom te draaien. De lampen zijn op de volgende wijze in de koplampunit geplaatst (fig. 10): A. Richtingaanwijzers RICHTINGAANWIJZERS VOOR Gloeilamp (oranje, type B, 21W) vervangen: – Draai de lamphouder (A-fig. 11) linksom en trek hem uit de zitting. B. Dimlicht C. Grootlicht/parkeerlicht. P4U00151 Wij raden u aan defecte gloeilampen, indien mogelijk, door de Alfa Romeo-dealer te laten vervangen. De juiste werking en afstelling van de buitenverlichting zijn van essentieel belang voor de rijveiligheid en bovendien wettelijk verplicht. KOPLAMPUNITS P4U00152 Halo ...
  • Page 159

    – Verwijder de lamp (B-fig. 12) uit de houder (A-fig. 12) door de lamp iets in te drukken en linksom te draaien. – Vervang de lamp (B-fig. 12). – Monteer de lamphouder (A-fig. 12), waarbij de lippen van de lamphouder in de uitsparingen moeten vallen van de lampunit; draai vervolgens de houder rechtsom. DIMLICHTEN (fig. 13) Gloeilamp (type D, 55W) vervangen: – Verwijder het beschermdeksel. – Maak de stekker los. (A). – Haak de borgveer van de lamp (B) los. – Verwijder en vervang de lamp. – Monteer de nieuwe lamp, waarbij de lippen op het metalen deel in de uitsparingen van de reflector moeten vallen. Haak vervolgens de borgveer (B) weer vast. – Maak de stekker(A) vast. GROOTLICHT (fig. 14) Gloeilamp (type D, 55W) vervangen: – Verwijder het beschermdeksel. – Maak de borgveer (A) los. – Maak de hoofdvoedingskabel (B) los. – Verwijder en vervang de lamp (C). – Maak de voedingskabel (B) vast. – Plaats de nieuwe lamp, waarbij de lippen op het metalen deel in ...
  • Page 160

    Halogeenlamp (type B, 6W) vervangen: – Verwijder het beschermdeksel (Afig. 15). – Vervang de lamp en monteer de lamphouder (B-fig. 16) in de zitting. – Monteer het beschermdeksel op de juiste wijze (A-fig. 15). P4U00156 – Trek de geklemde lamphouder (Bfig. 15) los. – Verwijder de lamp (C-fig. 16) uit de lamphouder door de lamp iets in te drukken en linksom te draaien. P4U00158 PARKEERLICHTEN VOOR RICHTINGAANWIJZERS OP VOORSPATBORD Gloeilamp (type A, 5W) vervangen: – Druk met de hand het lampenglas in de richting van de achterzijde van de auto, zodat de bevestigingsveer (A-fig. 17) wordt samengedrukt. Maak de voorzijde los en verwijder de lampunit. – Draai de lamphouder (B-fig. 18) linksom en verwijder het lampenglas (Dfig. 18). – Verwijder de geklemde lamp (C-fig. 18) en vervang de lamp. fig. 15 fig. 17 P4U00159 P4U00157 fig. 16 – Plaats de lamphouder (B-fig. 18) in het lampenglas (D-fig. 18) en monteer de lampunit. Controleer of de ...
  • Page 161

    MISTLAMPEN VOOR (indien aanwezig) ringen van de reflector moeten vallen. Haak de borgveer (D-fig. 20) vast. Vervang de gloeilamp (type D, 55W) aan de onderzijde van de auto: – Maak de voedingskabel (C-fig. 20) vast. – Maak de stekker (A-fig. 19) los van de lampunit. – Monteer het deksel (B-fig. 19) en sluit de stekker (A-fig. 19) aan op de lampunit. – Draai het deksel (B-fig. 19) linksom en verwijder het. – Maak de hoofdvoedingskabel (Cfig. 20) los. – Maak de borgveer van de lamp (Dfig. 20) los en verwijder de lamp. P4U00161 dealer. P4U00160 – Monteer de nieuwe lamp, waarbij de lippen op het metalen deel in de uitspa- Wendt u voor het afstellen van de mistlampen tot de Alfa Romeo- fig. 19 160 fig. 20 Als de koplampen niet goed zijn afgesteld, is de werking minder en kunnen ze andere weggebruikers hinderen. Laat in geval van twijfel de lampen door de Alfa Romeo-dealer controleren en eventueel afstellen. ...
  • Page 162

    (E) gloeilamp voor mistachterlicht. – Open het kofferdeksel. – Draai de bevestigingsschroeven (A of B-fig. 21) van de bekleding in de bagageruimte los bij de betreffende achterlichtunit. – Monteer de lichtunit met behulp van de borglippen (B-fig. 22). – Maak de bekleding in de bagageruimte vast met de bevestigingsschroeven. P4U00163 Gloeilampen (type B, 21W) vervangen: – Trek de bekleding omlaag en verwijder de achterlichtunit (C-fig. 22) door de borglippen (B-fig. 22) in te drukken. Gloeilamp (type B, vermogen: richtingaanwijzers 21W, parkeerlichten 5W en remlichten 21W): – Open het kofferdeksel. – Draai de 2 bevestigingsmoeren Afig. 24) los en verwijder het beschermdeksel (B-fig. 24). – Verwijder de lamphouder (A-fig. 25) door de borglippen (B-fig. 25) in te drukken. P4U00164 fig. 22 P4U00162 – Verwijder en vervang de betreffende lamp (bolvormig met bajonetfitting) door de lamp iets in te drukken en linksom te draaien (fig. 23): fig. 21 ...
  • Page 163

    – Monteer de achterlichtunit met behulp van de borglippen (B-fig. 25). – Monteer het beschermdeksel (Bfig. 24) met de moeren (A-fig. 24). – Monteer de lamphouder (C-fig. 28) door hem iets te draaien. KENTEKENPLAATVERLICHTING Gloeilampen (type A, 5W) vervangen: – Maak de lampunit los door met de platte punt van een schroevendraaier de klemveer (A-fig. 27) los te haken. Bescherm hierbij de punt met een zachte doek. – Monteer de lampunit (B-fig. 27). Plaats eerst de bevestigingslippen en druk vervolgens op de klemveer (A-fig. 27). – Verwijder de lampunit (B-fig. 27). – Verwijder de lamphouder (C-fig. 28) door hem iets te draaien en vervang de geklemde lamp D-fig. 28). P4U00168 – Verwijder en vervang de betreffende lamp (bolvormig met bajonetfitting) door de lamp iets in te drukken en linksom te draaien (fig. 26): (C) gloeilamp voor parkeerlicht achter/remlicht (D) gloeilamp voor richtingaanwijzer achter. fig. 25 162 fig. 26 P4U00169 P4U ...
  • Page 164

    DERDE REMLICHT Gloeilampen (type A, 3,2W) vervangen: – Draai de knop (B-fig. 30) los en verwijder de lampunit. – Monteer het lampenglas en maak de lampunit vast met de knop (B-fig. 30). – Draai de schroeven (C-fig. 31) los. – Maak de bekleding vast met de knoppen (A-fig. 29). – Verwijder het lampenglas (D-fig. 32) en vervang de lamp. – Open het kofferdeksel. P4U00171 – Draai de bevestigingsknoppen (Afig. 29) los en trek de bekleding omlaag. fig. 29 fig. 31 P4U00173 P4U00172 P4U00170 fig. 30 fig. 32 163 ...
  • Page 165

    PLAFONDVERLICHTING VOOR Gloeilampen (type C, 10W) vervangen: – Maak het plafondlampje (A-fig. 33) op de door de pijl aangegeven punten los. Controleer tijdens de montage van de plafondverlichting of de elektrische bedrading op de juiste wijze geplaatst is en niet in aanraking komt met de randen van de plafondverlichting of de borglippen. PLAFONDVERLICHTING ACHTER (behalve uitvoeringen met opendak) Gloeilampen (type C, 5W) vervangen: – Maak het plafondlampje (A-fig. 35) op de door de pijl aangegeven punten los. – Verwijder de lamp (B-fig. 36) door de veercontacten los te maken. P4U00175 DEFECTE INTERIEURVERLICHTING – Open het deksel (B-fig. 34). – Vervang de betreffende lamp (Cfig. 34) door de veercontacten los te maken. Zorg ervoor dat de nieuwe lamp goed vastzit in de veercontacten. – Plaats de nieuwe lamp en zorg ervoor dat de lamp goed vastzit in de veercontacten. – Monteer het plafondlampje door eerst de zijde met de stekker te plaatsen en ver ...
  • Page 166

    INSTAPVERLICHTING Gloeilamp (type C, 5W) vervangen: Gloeilamp (type C, 10W) vervangen: – Maak de lamp (A-fig. 39) op de door de pijl aangegeven punten los. – Maak het plafondlampje (A-fig. 37) op de door de pijl aangegeven punten los. – Verwijder de lamp (B-fig. 40) door de veercontacten los te maken. – Verwijder de lamp (B-fig. 38) door de veercontacten los te maken. – Plaats de nieuwe lamp en zorg ervoor dat de lamp goed vastzit in de veercontacten. – Plaats de nieuwe lamp en zorg ervoor dat de lamp goed vastzit in de veercontacten. – Monteer de lampunit door deze eerst aan één zijde in de juiste stand te plaatsen en vervolgens de andere zijde aan te drukken, totdat de borging inklikt. P4U00178 PLAFONDVERLICHTING MIDDENACHTER (alleen uitvoeringen met opendak) – Monteer het plafondlampje door eerst de zijde (C-fig. 38) en vervolgens de andere zijde vast te drukken, totdat het lampje inklikt. fig. 37 fig. 38 P4U00179 P4U00252 ...
  • Page 167

    VERLICHTING DASHBOARDKASTJE – Verwijder de bescherming (B-fig. 42). Gloeilamp (type A, 5W) vervangen: – Vervang de geklemde lamp (C-fig. 43). fig. 41 166 fig. 42 P4U00182 P4U00181 – Monteer de bescherming (B-fig. 42). P4U00180 – Verwijder de verlichtingsunit door met een schroevendraaier op lip (A-fig. 41) te drukken. – Monteer de verlichtingsunit door deze eerst aan één zijde in de juiste stand te plaatsen en vervolgens de andere zijde aan te drukken, totdat de borging inklikt. fig. 43 ...
  • Page 168

    – Verwijder met een platte schroevendraaier de complete verlichtingsunit (Afig. 45). Gloeilamp (type C, 10W) vervangen: – Open het kofferdeksel. – Draai de bevestigingsknoppen (Afig. 44) los en trek de bekleding omlaag. P4U00183 – Monteer de verlichtingsunit en controleer of lip (C-fig. 46) inklikt. P4U00170 fig. 44 – Vervang buislamp (B-fig. 46) door hem naar buiten te trekken. Zorg ervoor dat de nieuwe lamp goed vastzit in de veercontacten. fig. 45 P4U00184 BAGAGERUIMTEVERLICHTING fig. 46 167 ...
  • Page 169

    ALGEMENE INFORMATIE (fig. 47) Als een elektrisch onderdeel niet werkt, controleer dan eerst of de zekering niet is doorgebrand. A - Zekering in goede staat. B - Zekering met doorgebrande strip. Verwijder een defecte zekering met behulp van het tangetje (C) uit de zekeringenkast. P4U00185 Vervang een defecte zekering door een zekering met hetzelfde ampèrage (zelfde kleur). Als de nieuw dient u nemen met de dealer. zekering opdoorbrandt, contact op te Alfa Romeo- Vervang een zekering nooit door een zekering met een hoger ampèrage: BRANDGEVAAR!. HOOFDZEKERINGEN Naast de zekeringen die de afzonderlijke componenten beveiligen, is de auto voorzien van een aantal zekeringen die alle voedingskabels beschermen met uitzondering van de kabel van de startmotor en de kabel tussen startmotor en dynamo. Deze twee kabels worden beschermd tegen oververhitting en mechanische druk door speciaal isolatiemateriaal. Vervang een defecte zekering nooit door ander m ...
  • Page 170

    De hoofdzekeringen bevinden zich in de motorruimte in een houder op de pluspool van de accu; de zekeringen zijn bereikbaar nadat de twee beschermdeksels (fig. 48 en fig. 49) zijn verwijderd. De zekeringen van de belangrijkste systemen bevinden zich in een zekeringenkastje onder het dashboard, links van het stuur. Ze zijn bereikbaar nadat het paneel (Afig. 50) is verwijderd door de lippen (B-fig. 50) in de richting van de pijl te drukken. De grafische symbolen die de belangrijkste elektrische componenten aangeven die door de betreffende zekering worden beveiligd, zijn op een sticker (fig. 51) op de binnenzijde van het paneel aangebracht (A-fig. 50). Rechts van de zekeringenkast bevinden zich enkele reservezekeringen (D-fig. 50). Het is raadzaam om na het vervangen van een zekering de reservevoorraad weer aan te vullen. De systemen die door de zekeringen in de zekeringenkast worden beveiligd, staan in de tabellen op pagina 172 en 173. P4U00187 P4U00192 P4 ...
  • Page 171

    ZEKERINGEN OP DE ZEKERINGENKAST (fig. 52) De zekeringen van enkele componenten zijn gegroepeerd in drie houders op de hoofdzekeringenkast en bereikbaar nadat het paneel is verwijderd (A-fig. 50). Zie voor de beveiliging de noot (*) op pag. 173. ZEKERINGEN EN RELAIS BEREIKBAAR VANUIT HET DASHBOARDKASTJE (fig. 53) De zekeringen zijn bereikbaar nadat het geklemde klepje (A-fig. 53) is verwijderd. De zekeringen en relais voor enkele systemen die als optional worden geleverd of standaard aanwezig zijn op bepaalde uitvoeringen, bevinden zich op een houder achter het dashboardkastje. De systemen die door de zekeringen in de zekeringenkast worden beveiligd, staan in de tabellen op pagina 172 en 173. P4U00422 De systemen die door de zekeringen in de zekeringenkast worden beveiligd, staan in de tabellen op pagina 172 en 173. Voor het bereiken van de zekeringen moet het dashboardkastje worden verwijderd: wendt u hiervoor tot de Alfa Romeo-dealer. A. Relais ...
  • Page 172

    ZEKERINGEN EN RELAIS IN DE MOTORRUIMTE In de motorruimte, op een houder voor de accu, bevinden zich enkele afgeschermde zekeringen en relais (het aantal is afhankelijk van de uitvoering). Verwijder de bescherming (A-fig. 54) om de volgende relais te bereiken (fig. 55): A. Relais 2e snelheid elektroventilateur (bij uitvoering T.SPARK met airconditioning). e BELANGRIJK De plaats van de zekeringen en relais is afhankelijk van de uitvoering en het land; het is daarom raadzaam, ook in geval van een eventuele storing, contact op te nemen met de Alfa Romeo-dealer. Op de JTD-uitvoeringen is, afhankelijk van de in de auto gemonteerde accessoires, een tweede houder gemonteerd tegen de achterwand van de motorruimte met de volgende relais (fig. 56): A. Relais hulpverwarming niveau 1. B. Relais 1 snelheid elektroventilateur. B. Relais hulpverwarming niveau 2. C. Relais brandstofpomp. C. Beveiligingsrelais hulpverwarming. D. Relais elektronische inspuiting. E. R ...
  • Page 173

    Systeem/Componenten Zekering Ampèrage Plaats Systeem/Componenten Zekering Ampèrage Plaats Parkeerlicht linksvoor 7 10A fig. 50 Ruitenwissers, ruitensproeiers 10 20A fig. 50 Parkeerlicht rechtsvoor 6 10A fig. 50 Claxon 11 20A fig. 50 Achterlicht links 6 10A fig. 50 7 10A fig. 50 Elektrische ruitbediening en portiervergrendeling Achterlicht rechts 13 10A fig. 50 Dimlicht links 8 10A fig. 50 Elektrische ruitbediening voor 5 30A fig. 50 Dimlicht rechts 4 10A fig. 50 Elektrische ruitbediening linksachter 4 20A fig. 52 Grootlicht links 2 10A fig. 50 Elektrische ruitbediening rechtsachter 5 20A fig. 52 Grootlicht rechts 1 10A fig. 50 Remlicht links 6 10A fig. 50 Portiervergrendeling Bagageruimteverlichting 3 20A fig. 50 Remlicht rechts 7 10A fig. 50 Elektrische achte ...
  • Page 174

    Systeem/Componenten Zekering Ampèrage Plaats Systeem/Componenten Zekering Ampèrage Plaats Afstandsbediening 13 10A fig. 50 Verlichting bedieningsorganen 3 10A fig. 52 Elektronische inspuiting/ ontsteking Opendak 6 25A fig. 52 12 13 14 5 7,5A 15A 15A 30A fig. 52 fig. 52 fig. 52 fig. 49 Stoelverwarming 8 30A fig. 52 Airbagsysteem (2)* (10A)* fig. 52 Voorgloeibougies en brandstofvoorverwarming op brandstoffilter (alleen dieseluitvoeringen 8 70A fig. 49 ABS 9 (10)* 50A (10A)* fig. 49 fig. 52 Brandstofvoorverwarming (alleen JTD-uitvoeringen) – 25A fig. 55 Alfa Romeo CODE startblokkering 12 7,5A fig. 52 Tijdens starten uitgeschakelde verbruikers 1 7,5A fig. 52 Klimaatregeling 9 15A fig. 50 Verbruikers met permanente voeding ook bij uitgenomen sleutel 11 7,5A fig. 52 Verbruikers met voeding bij contacts ...
  • Page 175

    EEN LEGE ACCU STARTEN MET EEN HULPACCU P4U00198 Als de accu leeg is (bij een accu met optische zuurweger: donkere kleur zonder groen in het midden), kan de motor worden gestart met een hulpaccu, die ten minste dezelfde capaciteit moet hebben als de lege accu (zie hoofdstuk “Technische gegevens”). Ga als volgt te werk (fig. 57): – Verbind de pluspolen(+ teken nabij de pool) van de beide accu’s met een startkabel. – Sluit een tweede startkabel aan op de minpool (–) van de hulpaccu en op de massakabel op de motor of de versnellingsbak van de auto die gestart moet worden. fig. 57 174 BELANGRIJK Verbind de minpolen van de twee accu’s niet rechtstreeks: eventuele vonken kunnen het explosieve gas ontsteken dat uit de accu kan ontsnappen. – Start de motor. – Neem, als de motor draait, de kabels in de omgekeerde volgorde los. – Als de motor na enkele pogingen niet aanslaat, blijf dan niet proberen maar wendt u tot een Alfa Romeo-dealer. Laat deze procedure ...
  • Page 176

    Bij de auto is een sleepoog geleverd. Het sleepoog bevindt zich in de gereedschaphouder onder de bekleding van de bagageruimte. Sleepoog bevestigen: – Verwijder het sleepoog uit de houder. – Verwijder het geklemde dekseltje (A) op de voor- (fig. 58) of achterbumper (fig. 59) op de volgende wijze: – Draai het sleepoog geheel op de schroefdraadpen. Controleer of het sleepoog volledig op de pen is gedraaid (circa 8 volledige slagen); maak de schroefdraad voor het sleepoog voor de montage zorgvuldig schoon. P4U00199 DEKSELTJE OP DE VOORBUMPER: druk met een vinger op de onderzijde van het dekseltje totdat het dekseltje loshaakt uit de borgveer. DEKSELTJE OP DE ACHTERBUMPER: Neem de schroevendraaier uit de gereedschaphouder onder de bekleding in de bagageruimte. Gebruik de platte punt van de schroevendraaier en bescherm de punt met een zachte doek; steek vervolgens de schroevendraaier in de bovenzijde van het dekseltje en druk licht op de schroevendraaier zodat d ...
  • Page 177

    SLEPEN VAN DE 2.0 T.SPARK SELESPEED BELANGRIJK Houdt u bij het slepen van de auto aan de wettelijke voorschriften. Controleer of de versnellingsbak in de vrijstand (N) staat (controleer of de auto rolt als er tegen wordt geduwd) en sleep de auto zoals een auto met een handgeschakelde versnellingsbak, zoals hiervoor is beschreven. Als de versnellingsbak niet in de vrijstand kan worden gezet, dan mag de auto niet worden gesleept. Wendt u in dat geval tot de Alfa Romeo-dealer. Start de motor niet als de auto wordt gesleept. SLEPEN VAN AUTO MET AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK (2.5 V6 24V Q-SYSTEM) BELANGRIJK Houdt u bij het slepen van de auto aan de wettelijke voorschriften. Houdt u aan de hiervoor beschreven aanwijzingen. Houdt u bij het slepen aan de volgende aanwijzingen: – vervoer de auto, indien mogelijk, op de laadvloer van een bergingsauto; – als er geen bergingsauto beschikbaar is, moet de auto met de aangedreven wielen (voorwielen) los van de grond gesl ...
  • Page 178

    HET OPKRIKKEN VAN DE AUTO MET DE BOORDKRIK Zie de paragraaf “Een lekke band” in dit hoofdstuk. De richtlijnen geven aan dat: Als de krik niet juist geplaatst wordt, kan de opgekrikte auto van de krik vallen. Op een sticker op de krik is het maximum hefvermogen aangegeven; de krik mag nooit voor een zwaardere last worden gebruikt. MET DE HEFBRUG OF GARAGEKRIK De auto mag uitsluitend aan de zijkant worden opgekrikt door de hefarm van de garagekrik of de hefbrug in het aangegeven gebied te plaatsen, op ongeveer 40 cm van de wielkuip (fig. 60). – de krik 2,100 kg moet wegen; – de krik geen afstelwerkzaamheden mag vereisen; – de krik bij beschadiging vervangen moet worden door een krik van hetzelfde type; De auto mag worden opgekrikt met een werkplaatskrik of de armen van een hefbrug uitsluitend op de aangegeven punten (fig. 60). – buiten de slinger geen enkel ander gereedschap op de krik gemonteerd mag worden. P4U00201 De krik dient uitsluiten ...
  • Page 179

    BIJ EEN ONGEVAL – Het is belangrijk altijd rustig te blijven. – Als u niet direct bij het ongeval betrokken bent, stopt u dan op een afstand van ten minste een tiental meters van het ongeluk. – Stop bij ongevallen op de snelweg zo mogelijk in de berm en laat de vluchtstrook vrij. – Zet de motor uit en schakel de waarschuwingsknipperlichten in. – Verlicht als het donker is met de koplampen de plaats van het ongeval. – Wees voorzichtig, voorkom het risico van een aanrijding. – Geef het ongeval aan door de gevarendriehoek goed zichtbaar en op de wettelijk voorgeschreven afstand te plaatsen. – Waarschuw de hulpinstanties en geef zo duidelijk mogelijke informatie. Gebruik op de snelweg de daarvoor bestemde praatpalen. 178 – Bij kettingbotsingen, in het bijzonder bij mist, is het risico om bij volgende botsingen betrokken te raken groot. Verlaat onmiddellijk de auto en zoek bescherming achter de vangrail. – Probeer bij geblokkeerde portieren de auto niet te verlaten ...
  • Page 180

    VERBANDTROMMEL (fig. 61) De verbandtrommel moet ten minste bevatten: De verbandtrommel is opgenomen in het Alfa Romeo Lineaccessori-programma. – steriele gaasdeppers, om de wond te bedekken en schoon te maken; – verschillende soorten verband; – pleisters van verschillende afmetingen; – hechtpleister; – een pak hydrofiele watten; – een flesje jodium; – een pak zakdoekjes; – een schaar met afgeronde punten; – een pincet; P4U00202 – twee bloedstelpende zwachtels. fig. 61 179 ...
  • Page 181

    ...
  • Page 182

    ONDERHOUD VAN DE AUTO Een goed en regelmatig onderhoud van de auto is de beste manier om de prestaties en de veiligheid van de auto gedurende langere tijd te garanderen. Onthoud verder dat het nauwkeurig aanhouden van de onderhoudsnormen die aangegeven zijn met het afgebeelde symbool, de noodzakelijke voorwaarden vormen om de garantie te behouden. Op de volgende pagina’s staat het onderhoudsschema en de controles die uitgevoerd dienen te worden voor een goed onderhoud. Wij raden u aan de in het onderhoudsschema voorgeschreven handelingen bij de vastgestelde kilometerstanden te laten uitvoeren. GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD .................................................. pag. ONDERHOUDSSCHEMA .................................................................................. JAARLIJKS INSPECTIESCHEMA .................................................................... NIVEAUS CONTROLEREN, BIJVULLEN EN VERVERSEN ......................... LUCHTFILTER .......................... ...
  • Page 183

    GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD VOORZORGSMAATREGELEN In de motorruimte bevinden zich vele bewegende delen, componenten die hoge temperaturen kunnen bereiken en hoogspanningskabels die gevaar kunnen opleveren voor degene die niet bekend zijn met de werking ervan. De bij de auto geleverde krik dient uitsluitend voor het verwisselen van een wiel. De auto mag niet met de krik worden opgekrikt voor het uitvoeren van andere werkzaamheden. Wendt u bij voorkeur tot een Alfa Romeodealer om deze werkzaamheden uit te laten voeren. Bij onderhoudswerkzaamheden moeten de volgende voorzorgsmaatregelen worden genomen: – zet de motor af en wacht tot deze is afgekoeld. – kom niet in de buurt van de elektroventilateur. Deze kan automatisch inschakelen als de koelvloeistof een bepaalde temperatuur heeft bereikt. – rook niet en gebruik geen open vuur. – houd altijd een brandblusser binnen handbereik. – gebruik de bij de auto geleverde krik niet om de auto op te krikken voor werkzaamhe ...
  • Page 184

    Als de auto vaak wordt gebruikt voor het trekken van aanhangers moeten er kortere intervallen worden aangehouden voor de werkzaamheden van het geprogrammeerd onderhoud. ALGEMENE AANWIJZINGEN Belangrijk. Tijdens het bijvullen mogen de vloeistoffen met verschillende specificaties niet gemengd worden: als de specificaties van de vloeistoffen verschillen, kan de auto ernstig beschadigd worden. De service- en inspectiebeurten moeten iedere 20.000 km worden uitgevoerd. Doelmatig onderhoud is een beslissende factor voor een goede werking van de auto en een lange levensduur. Zorg er daarom voor dat de onderhoudsbeurten tijdig worden uitgevoerd. Dankzij de verdergaande ontwikkeling van het product kunnen deze bij hogere kilometerstanden worden uitgevoerd. Het blijft echter altijd nuttig om regelmatig wat aandacht aan de auto te schenken, bijvoorbeeld door het systematisch controleren van de vloeistofniveaus en de spanning van de banden. Denk er altijd aan dat een ...
  • Page 185

    ONDERHOUDSSCHEMA x 1000 km Banden op conditie en slijtage controleren Werking waarschuwingslampje voor versleten remblokken van de schijfremmen voor controleren 20 40 60 80 100 120 140 160 180 • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • Conditie remblokken van de schijfremmen achter controleren Conditie stofhoezen van aandrijfassen, stuurhuis, stuurkogels en brandstof- en remleidingen op lekkage controleren Visueel de conditie controleren van:buitenzijde carrosserie, bodemplaatbescherming, uitlaat, brandstof- en remleidingen, rubber delen (stofkappen, hoezen, enz.), en rubber slangen van het rem- en brandstofsysteem Getande distributieriem controleren Poly-V-aandrijfriem visueel controleren Slag handrem controleren Klepspeling controleren/afstellen (turbodieselmotor) Uitlaatgasemissie ...
  • Page 186

    x 1000 km Brandstoffilter vervangen (turbodieselmotor) 20 40 60 80 100 120 140 160 180 • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • Luchtfilter vervangen (benzinemotor) Luchtfilter vervangen (turbodieselmotor) Vloeistofniveaus controleren en eventueel bijvullen (remsysteem, hydraulische koppeling, stuurbekrachtiging, ruitenwissers, accu, motorkoelsysteem, enz.) Olie van Selespeed versnellingsbak controleren en eventueel bijvullen (2.0 T.SPARK) • Getande distributieriem (*) (**) en Poly-V-aandrijfriem vervangen Aandrijfriem tegengesteld draaiende balansassen vervangen (2.0 T.SPARK) • Bougies vervangen (T.SPARK 16V en 2.5 V6 24V) • Werking regeleenheden controleren (via diagnosestekker) • Motorolie en oliefilter vervangen • • • • • • Remvloeistof vervangen (of om het jaar) Stof-/pollenfilter vervan ...
  • Page 187

    JAARLIJKS INSPECTIESCHEMA rubber slangen van rem- en brandstofsysteem. Voor auto’s waarmee jaarlijks minder dan 20.000 km wordt gereden (bijvoorbeeld ongeveer 10.000 km) is er een JAARLIJKS INSPECTIESCHEMA dat het volgende omvat: – Conditie van diverse aandrijfriemen visueel controleren. – Acculading controleren. – Vloeistofniveaus controleren en eventueel bijvullen (motorkoelsysteem, remsysteem, ruitensproeiers, accu, enz.). Iedere 3000 km het motoroliepeil controleren en eventueel bijvullen. Iedere 5000 km (alleen dieselmotoren): condens uit brandstoffilter aftappen. Gebruik bij voorkeur producten van de FL Group omdat die speciaal zijn afgestemd op de Alfa Romeo-modellen (zie de “Specificaties van de smeermiddelen en vloeistoffen” in het hoofdstuk “Technische gegevens”). – Banden op conditie en slijtage controleren en bandenspanning eventueel herstellen (inclusief het reservewiel). – Motorolie verversen. – Motoroliefilter vervangen. BELANGRIJK - ...
  • Page 188

    BELANGRIJK - Luchtfilter BELANGRIJK - Accu BELANGRIJK - Wielen Als de auto over stoffige wegen rijdt, moet het luchtfilter vaker worden vervangen dan in het onderhoudsschema staat aangegeven. Wij raden u aan de acculading voor het begin van de winter te controleren, om de mogelijkheid van bevriezing van het elektrolyt te voorkomen. De spanning van de banden, inclusief het reservewiel, moet regelmatig en voor een lange rit, worden gecontroleerd. Raadpleeg bij twijfel over de vervangingsinterval van motorolie en luchtfilter in relatie tot het gebruik van de auto de Alfa Romeo-dealer. Voer deze controle vaker uit als de auto overwegend voor korte trajecten wordt gebruikt, of als accessoires zijn gemonteerd die permanent, ook bij uitgeschakeld contact, stroom verbruiken. Dit geldt in het bijzonder voor achteraf aangebrachte accessoires. BELANGRIJK - Dieselfilter Door het gebruik van dieselbrandstof van mindere kwaliteit kan het noodzakelijk zijn het br ...
  • Page 189

    Controleer de banden regelmatig op scheuren in de wangen en bulten of slijtplekken op het loopvlak. Als dit het geval is, wendt u dan onmiddellijk tot de Alfa Romeo-dealer. Stop zo snel mogelijk bij een lekke band en verwissel het wiel om beschadiging van de band, de velg, de wielophanging en de stuurinrichting te voorkomen. De door de fabriek gemonteerde wielen (velgen en banden) zijn het best afgestemd op de eigenschappen van de auto en garanderen een maximum aan veiligheid en comfort onder alle rij-omstandigheden. Raadpleeg, voordat u velgen of banden vervangt, de tabel met de toegestane band- en velgtypen in het hoofdstuk “Technische gegevens” of wendt u tot de Alfa Romeo-dealer. Zorg er in ieder geval voor dat de oorspronkelijke combinatie van velg-/bandenmaat gehandhaafd blijft. Monteer altijd nieuwe banden en nooit banden, waarvan de herkomst onbekend is. 188 BELANGRIJK Als de auto onder speciale bedrijfsomstandigheden wordt gebruikt (bijvoorbeeld bij het ...
  • Page 190

    NIVEAUS CONTROLEREN, BIJVULLEN EN VERVERSEN Uitvoeringen 1.6 T. SPARK, 1.8 T.SPARK en 2.0 T.SPARK k + 1) motorolie 4) ruitensproeiervloeistof w n 5) koelvloeistof 2) accu π ∂ 3) remvloeistof 6) olie van de stuurbekrachtiging P4U00203 fig. 1 189 ...
  • Page 191

    Uitvoering 2.5 V6 24V k + 1) motorolie 4) ruitensproeiervloeistof w n 5) koelvloeistof 2) accu π ∂ 3) remvloeistof 6) olie van de stuurbekrachtiging P4U00204 fig. 2 190 ...
  • Page 192

    Uitvoering 1.9 JTD k + 1) motorolie 4) ruitensproeiervloeistof w n 5) koelvloeistof 2) accu π ∂ 3) remvloeistof 6) olie van de stuurbekrachtiging P4U00424 fig. 3 191 ...
  • Page 193

    Uitvoering 2.4 JTD k + 1) motorolie 4) ruitensproeiervloeistof w n 5) koelvloeistof 2) accu π ∂ 3) remvloeistof 6) olie van de stuurbekrachtiging P4U00425 fig. 4 192 ...
  • Page 194

    MOTOROLIEPEIL CONTROLEREN De auto is uitgerust met een beschermplaat onder de motor. Fig. 6: uitvoeringen T.SPARK Fig. 7: uitvoering 2.5 V6 24V Fig. 8: uitvoeringen JTD Controleer het oliepeil als de auto op een vlakke ondergrond staat en enige minuten (circa 5) na het uitzetten van de motor. BELANGRIJK De beschrijving voor het verwijderen van de beschermplaat dient slechts ter informatie. Wij raden u aan deze werkzaamheden door de Alfa Romeo-dealer te laten uitvoeren. P4U00208 BESCHERMPLAAT MOTOR (fig. 5) Bij het verversen van de motorolie en het oliefilter, en het controleren en verversen van de versnellingsbak-/differentieelolie, moet de bescherming worden verwijderd. Ga als volgt te werk: Verwijder de oliepeilstok (A) en maak de peilstok schoon. Plaats de peilstok geheel terug, verwijder de peilstok en controleer of het niveau tussen het MIN- en MAX-merkteken op de peilstok staat. Het verschil tussen het MIN- en MAXmerkteken komt overeen met onge ...
  • Page 195

    9: 10: 11: 12: uitvoeringen T.SPARK uitvoering 2.5 V6 24V uitvoering 1.9 JTD uitvoering 2.4 JTD fig. 11 - uitvoering 1.9 JTD P4U00211 Als het olieniveau dicht bij het MINmerkteken staat, moet, na het verwijderen van dop (B), via de olievulopening motorolie tot aan het MAX-merkteken worden bijgevuld. Onthoud dat bij een warme motor de elektroventilateur, afhankelijk van de temperatuur van de motorkoelvloeistof, automatisch kan inschakelen en verwondingen kan veroorzaken. fig. 9 - uitvoering T.SPARK 194 P4U00428 Fig. Fig. Fig. Fig. BELANGRIJK Na het bijvullen van de olie de motor enkele seconden laten draaien, vervolgens de motor uitzetten en na enige minuten (ongeveer 5) het oliepeil controleren. Vul nooit motorolie bij met andere specificaties (klasse, viscositeit) dan de olie waarmee de motor is gevuld. fig. 10 - uitvoering 2.5 V6 24V P4U00427 MOTOROLIE BIJVULLEN Tijdens het bijvullen van de motorolie mag nooit het MAX ...
  • Page 196

    Fig. 13: uitvoeringen T.SPARK Fig. 14: uitvoering 2.5 V6 24V Fig. 15: uitvoering 1.9 JTD Fig. 16: uitvoering 2.4 JTD De frequentie waarmee de motorolie moet worden ververst, is afhankelijk van het aantal afgelegde kilometers, de ver- fig. 13 - uitvoering T.SPARK De motorolie moet bij een warme motor worden afgetapt om het uitstromen van de afgewerkte olie te vergemakkelijken. Ga als volgt te werk: – Zorg dat de auto op een vlakke ondergrond staat, de handrem is aangetrokken, de motor is afgezet en nog warm is. – Verwijder de beschermplaat. – Plaats een geschikte opvangbak onder de aftapplug onder de auto. – Verwijder zowel de olievuldop als de peilstok om het aftappen te vergemakkelijken. – Draai de aftapplug (A) onder op de oliepan los en tap de olie volledig af. – Vervang het oliefilter (zie volgende paragraaf). P4U00217 P4U00215 fig. 14 - uitvoering 2.5 V6 24V streken tijd na de laatste verversing en de gebruiksomstandigheden van de auto. fi ...
  • Page 197

    Verwijder de aftapplug voorzichtig; de olie kan zeer warm zijn. – Reinig de aftapplug en monteer de plug. – Giet nieuwe olie in de vulopening (zie voor het type olie en de hoeveelheid de tabel “Specificaties van de smeermiddelen en vloeistoffen” in het hoofdstuk “Technische gegevens”). – Sluit de vuldop. – Start de motor en laat de motor 1015 seconden stationair draaien. Zet de motor af en controleer na ongeveer 15 minuten het motoroliepeil, zodat de olie in de oliepan heeft kunnen terugstromen. – Maak de peilstok schoon en controleer of het oliepeil niet boven het MAXmerkteken staat. – Steek de peilstok geheel in de opening. – Controleer de aftapplug en het oliefilter op lekkage. – Monteer de beschermplaat. 196 BELANGRIJK Vanwege de toegevoegde reinigingsmiddelen, kan de nieuwe olie al na een korte tijd een donkere kleur krijgen. Dit is een normaal verschijnsel en het is dus niet nodig om de olie vaker te verversen dan is voorgeschreven. Wanneer de olieprod ...
  • Page 198

    Ga voor het vervangen van het oliefilter als volgt te werk: – Ver wijder de beschermplaat. – Bij de uitvoering 2.5 V6 24V moeten ook de bevestigingsschroeven van beugel (B-fig. 18) worden losgedraaid en de slangen van de stuurbekrachtiging iets worden verplaatst. BELANGRIJK Het oliefilter moet bij elke verversing van de motorolie worden vervangen. VERSNELLINGSBAK-/ DIFFERENTIEELOLIE CONTROLEREN EN VERVERSEN BELANGRIJK De beschrijving van de procedure voor het controleren van het oliepeil en het verversen van de versnellingsbak-/differentieelolie dient slechts ter informatie. Wij raden u aan deze werkzaamheden door de Alfa Romeodealer te laten uitvoeren. – Draai het filterelement (A) met een passende sleutel los en verwijder het. – Smeer de afdichtring van het nieuwe filter in met motorolie. Het oliepeil moet op een vlakke ondergrond en bij een auto met stilstaande en koude motor worden gecontroleerd. – Schroef het nieuwe filter met de hand op het cil ...
  • Page 199

    Ga, afhankelijk van de uitvoering, als volgt te werk: Uitvoeringen T.SPARK (fig. 20) Voer voor het controleren van het oliepeil de volgende werkzaamheden uit: – Verwijder de beschermplaat. – Verwijder de vuldop (A) om het oliepeil in het versnellingsbakhuis te controleren; het oliepeil moet tot aan de onderrand van de opening reiken. – Verwijder zowel de vuldop (A) als de aftapplug (B) en tap de olie volledig af. – Maak de aftapplug (B) schoon en schroef hem vast. – Giet nieuwe olie in de vulopening (A) (zie voor het type olie en de hoeveelheid de tabel “Specificaties van de smeermiddelen en vloeistoffen” in het hoofdstuk “Technische gegevens”). – Controleer of het oliepeil tot aan de onderrand van de opening reikt. Plaats de vuldop en schroef hem vast. – Monteer de beschermplaat. Uitvoeringen 2.5 V6 24V en JTD (fig. 21) Voer voor het controleren van het oliepeil de volgende werkzaamheden uit: – Trek de peilstok (A) uit en maak hem schoon. Ga voor het verve ...
  • Page 200

    Ga voor het verversen van de olie (bij een warme versnellingsbak en differentieel) als volgt te werk: – Verwijder de beschermplaat. – Plaats een geschikte opvangbak onder de aftapplug (B) onder de auto. – Verwijder zowel de peilstok(A) en de aftappluggen voor de versnellingsbakolie (B) en/of de differentieelolie (C) en tap de olie volledig af. – Controleer het oliepeil (zie volgende paragraaf). – Monteer de beschermplaat. P4U00223 – Maak de aftappluggen (B) en/of (C) schoon en schroef ze vast. – Giet nieuwe olie in de vulopening (A) (zie voor het type olie en de hoeveelheid de tabel “Specificaties van de smeermiddelen en vloeistoffen” in het hoofdstuk “Technische gegevens”). fig. 21 - uitvoeringen 2.5 V6 24V en JTD 199 ...
  • Page 201

    OLIE SELESPEED VERSNELLINGSBAK CONTROLEREN Ga als volgt te werk: – draai de contactsleutel in stand MAR; Het oliepeil van de Selespeed versnellingsbak moet op een vlakke ondergrond en bij een auto met stilstaande en koude motor worden gecontroleerd. – maak de ontluchtingsslang los, verwijder de plug (A-fig. 22) en controleer of het oliepeil nabij het MAX -merkteken staat op de aan de plug bevestigde peilstok; – als het niveau onder het MAXmerkteken staat, vul dan olie bij tot het juiste niveau is bereikt; A MAX fig. 22 200 P4U00322 – draai de plug weer vast, monteer de ontluchtingsslang op de aansluiting op de plug en draai de contactsleutel in stand STOP. Uitsluitend bijvullen met olie TUTELA CS SPEED. Vul nooit olie bij met andere specificaties dan de olie waarmee het systeem is gevuld. ...
  • Page 202

    OLIE AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK Q-SYSTEM CONTROLEREN Controleer met de selectorhendel in stand P het oliepeil als de auto op een vlakke ondergrond staat, de motor stationair draait en op bedrijfstemperatuur is. – Verwijder de peilstok (A-fig. 23). – Reinig de peilstok met een doek die niet pluist of andere verontreinigingen afgeeft. – Steek de peilstok geheel in de buis. MIN MAX MIN MAX A P4U00323 – Trek hem uit en lees het oliepeil af. Het niveau moet tussen het MIN- en MAX-merkteken staan van het gedeelte met het opschrift COLD (+40 °C) (fig. 23). BELANGRIJK Na lange ritten met een zeer warme versnellingsbak/differentieel, moet het oliepeil tussen het MINen MAX-merkteken van het gedeelte met het opschrift HOT (+80 °C) (fig. 23) staan. Vul nooit olie bij met andere specificaties dan de olie waarmee de versnellingsbak is gevuld. Wees bij het uitvoeren van werkzaamheden in de motorruimte extra voorzichtig als de motor nog warm is: gevaar ...
  • Page 203

    KOELVLOEISTOFNIVEAU CONTROLEREN EN BIJVULLEN Verwijder bij een warme motor nooit de dop van het expansiereservoir, om brandwonden te voorkomen. Controleer regelmatig of het koelvloeistofniveau in het expansiereservoir zich tussen het MIN- en MAX-merkteken bevindt. Controleer het niveau bij een koude motor en als de auto op een vlakke ondergrond staat. P4U00224 Als het niveau te laag is, moet de dop (A) van het expansiereservoir worden verwijderd en de koelvloeistof worden bijgevuld. Het koelsysteem staat onder druk. Vervang de dop zonodig alleen door een exemplaar van hetzelfde type, anders kan de werking van het systeem in gevaar worden gebracht. P4U00225 Fig. 24: uitvoeringen T.SPARK en JTD Fig. 25: uitvoering 2.5 V6 24V fig. 24 - uitvoeringen T.SPARK en JTD 202 fig. 25 - uitvoering 2.5 V6 24V Het anti-vriesmengsel in het koelsysteem beschermt tot een temperatuur van -35°C. Gebruik voor het bijvullen anti-vries PARAFLU FOR ALFA ROMEO. ...
  • Page 204

    De controle moet worden uitgevoerd als de auto op een vlakke ondergrond staat en bij een stilstaande koude motor. OLIEPEIL VAN DE STUURBEKRACHTIGING CONTROLEREN BELANGRIJK Wendt u voor onderhoudswerkzaamheden of eventuele reparaties tot een Alfa Romeo-dealer. Controleer of het niveau nabij het MAX-merkteken op het reservoir staat of bij het bovenste merkteken (maximum niveau) op de peilstok. Fig. 26: uitvoeringen T.SPARK Fig. 27: uitvoeringen 2.5 V6 24V en JTD P4U00226 Controleer of de olie van de stuurbekrachtiging nog op het maximale niveau staat. OLIE VAN DE STUURBEKRACHTIGING BIJVULLEN Als het olieniveau lager is dan voorgeschreven, vul dan bij met het voorgeschreven product uit de tabel “Specificaties van de smeermiddelen en vloeistoffen” in het hoofdstuk “Technische gegevens”. Vul als volgt bij: – Start de motor en wacht tot het olieniveau in het reservoir stabiliseert. P4U00227 fig. 26 - uitvoeringen T.SPARK Het olieverbruik van de stuurbek ...
  • Page 205

    Controleer of het vloeistofniveau nog op het maximum niveau staat. Gebruik voor het bijvullen of de periodieke verversing (iedere twee jaar) het voorgeschreven product uit de tabel “Specificaties van de smeermiddelen en vloeistoffen” in het hoofdstuk “Technische gegevens”. P4U00228 Controleer regelmatig de werking van het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel: als u op de dop (B) van het reservoir (A) (met de contactsleutel in stand MAR) drukt, moet het waarschuwingslampje x gaan branden. fig. 28 204 Let op dat u bij het losdraaien van dop (B) niet de stekkers losmaakt. Voorkom contact tussen de vloeistof en de lak. Als vloeistof wordt gemorst, moet de lak onmiddellijk met water worden afgespoeld. Het symbool π op het reservoir geeft aan dat synthetische remvloeistof en geen minerale vloeistof moet worden gebruikt. Het gebruik van vloeistoffen met andere specificaties moet absoluut worden vermeden, omdat de rubbers in het remsysteem door deze vlo ...
  • Page 206

    RUITEN-/KOPLAMPSPROEIERVLOEISTOF CONTROLEREN EN BIJVULLEN Gebruik de ruitensproeiers niet als het reservoir leeg is om schade aan de pompmotor te voorkomen. Fig. 29: uitvoeringen T.SPARK en JTD Fig. 30: uitvoering 2.5 V6 24V Verwijder de dop (A) en controleer visueel het vloeistofniveau in het reservoir. Raapleeg bij twijfel de Alfa Romeodealer. Deze kan u de meest geschikte producten aanbevelen. Rijd niet met een leeg ruitensproeierreservoir: de ruitensproeiers zijn van fundamenteel belang voor een optimaal zicht. fig. 29 - uitvoeringen T.SPARK en JTD P4U00230 P4U00229 Enkele in de handel verkrijgbare ruitensproeiervloeistoffen zijn licht ontvlambaar. In de motorruimte bevinden zich warme onderdelen die bij contact de vloeistof kunnen doen ontbranden. BELANGRIJK Gebruik voor het bijvullen één van de in de handel verkrijgbare speciale reinigingsproducten en controleer of ze bescherming bieden tegen kalkaanslag en bevriezing. fig. 30 - uitvoering ...
  • Page 207

    De beschrijving voor het vervangen van het luchtfilter, dient slechts ter informatie. Wendt u bij voorkeur tot een Alfa Romeo-dealer om deze werkzaamheden uit te laten voeren. Als het filter niet op de juiste wijze, zoals hierna is beschreven, wordt vervangen en als de voorzorgsmaatregelen niet in acht worden genomen, dan kan de veiligheid tijdens het rijden in gevaar komen. Als het filter wordt gereinigd, kan het beschadigd worden, waardoor ernstige schade aan de motor kan ontstaan. Ga voor het vervangen van het filter als volgt te werk: – Verwijder de bescherming (A-fig. 31). fig. 31 206 – Verwijder, afhankelijk van de uitvoering, de verbindingsmof als volgt: Uitvoeringen T.SPARK (fig. 33): maak de borgingen aan de zijkant (A) los en verwijder de verbindingsmof (B). P4U00231 Voor de juiste werking van de motor, een laag verbruik en een lage uitstoot van uitlaatgassen, is het daarom noodzakelijk dat het luchtinlaatsysteem altijd in perfecte condi ...
  • Page 208

    Uitvoeringen 2.5 V6 24V en JTD (fig. 34 en fig. 35): maak de borgingen aan de zijkant (A) los, verwijder de stekker van de luchtkwantummeter (C) en verwijder de verbindingsmof (B). – Draai de schroeven (A-fig. 36) los en verwijder voorzichtig het deksel (B). – Verwijder het filterelement (A-fig. 37). – Plaats het nieuwe filterelement, monteer het deksel, de verbindingsmof en sluit, bij de uitvoeringen 2.5 V6 24V en JTD, de stekker aan op de luchtkwantummeter. P4U00233 P4U00235 DIESELFILTER (uitvoering JTD) BELANGRIJK De beschrijving van de procedure voor het aftappen van water en het vervangen van het filterelement dient slechts ter informatie. Laat deze werkzaamheden door de Alfa Romeodealer uitvoeren. CONDENSWATER AFTAPPEN (fig. 38) Als het lampje (indien aanwezig) tijdens het rijden gaat branden, ook al is dit slechts af en toe enige seconden, wendt u dan zo snel mogelijk tot een Alfa Romeodealer om het condenswater af te laten tappen. P4U0023 ...
  • Page 209

    P4U00408 Ga voor het aftappen als volgt te werk: – Maak de stekker (A) van de sensor op het dieselfilter los. – Plaats een plastic buisje (B) op de opening van de filtersensor en steek het andere uiteinde van het buisje in een opvangbak. – Draai de sensor (C) iets los zodat het met diesel vermengde water kan weglopen. fig. 38 - uitvoeringen JTD 208 – Draai de sensor stevig vast als er uitsluitend dieselbrandstof zonder water uitstroomt. – Verwijder het buisje en sluit de stekker weer aan. Verontreinig het milieu niet met water dat is vermengd met dieselbrandstof. FILTERELEMENT VERVANGEN (fig. 39) – Draai de filtersensor (C) van het verwijderde element los en draai de sensor stevig vast op het nieuwe filterelement. – Smeer de pakking van het element met motorolie en vul vervolgens het element met schone dieselbrandstof. – Draai de element met de hand vast op de steun en draai het vervolgens stevig vast met de sleutel. – Sluit de stekker aan op de fil ...
  • Page 210

    (uitvoeringen met airconditioning) Het filter filtert de lucht mechanisch en elektrostatisch als de ruiten zijn gesloten. Laat het stof-/pollenfilter ten minste één keer per jaar controleren door de Alfa Romeo-dealer, bij voorkeur aan het begin van het zomerseizoen. Als de auto veel in stadsverkeer of over stoffige wegen rijdt, moet het pollenfilter vaker worden gecontroleerd dan in het onderhoudsschema staat aangegeven. BELANGRIJK Een niet tijdig vervangen filter kan het rendement van de klimaatregeling aanzienlijk beperken. De accu is “onderhoudsarm”: onder normale gebruiksomstandigheden hoeft het elektrolyt niet bijgevuld te worden. Controleer echter regelmatig of het elektrolyt zich tussen het MIN- en MAX-merkteken op de accu (fig. 40) bevindt. Bij bepaalde uitvoeringen kan de accu voorzien zijn van een optische hydrometer (A-fig. 41) voor de controle van het elektrolytniveau en de acculading. De accu is “onderhoudsarm” en uitgerust met een controlemeter; ond ...
  • Page 211

    Accu’s bevatten zeer schadelijke stoffen voor het milieu. Het is raadzaam om de accu door de Alfa Romeo-dealer te laten vervangen. De dealer beschikt over de uitrusting voor het op milieuvriendelijke wijze en conform de wettelijke bepalingen de accu af te voeren. Onoordeelkundige montage van elektrische apparatuur kan ernstige schade toebrengen aan de auto. Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren die constante voeding nodig hebben (diefstalalarm, autoradio, mobiele telefoon, enz.), raden wij u aan contact op te nemen met de Alfa Romeo-dealer. Deze kan u de meest geschikte installaties aanraden en controleren of het noodzakelijk is een accu met een grotere capaciteit te monteren. Als u de auto langere tijd stalt in extreem koude omstandigheden moet, om bevriezing te voorkomen, de accu worden verwijderd en op een ver warmde plaats worden bewaard. ACCULADING MET OPTISCHE HYDROMETER CONTROLEREN De acculading kan kwalitatief gecontroleerd worden d ...
  • Page 212

    Helderwitte kleur Elektrolyt bijvullen Wendt u tot de Alfa Romeodealer – Maak de accuklemmen los van de accupolen. – Sluit de klemmen van de acculader aan op de accupolen. Donkere kleur zonder groen middenstuk Accu niet voldoende opgeladen Opladen (wij raden u aan om u tot de Alfa Romeo-dealer te wenden) Donkere kleur met groen middenstuk Niveau elektrolyt en acculading voldoende Geen enkele handeling ACCU OPLADEN BELANGRIJK De beschrijving van de procedure voor het opladen van de accu dient slechts ter informatie. Wendt u bij voorkeur tot een Alfa Romeo-dealer om deze werkzaamheden uit te laten voeren. We raden u aan de accu langzaam en met een laag ampèrage gedurende ca. 24 uur op te laden. Als u de accu langer oplaadt, kan de accu worden beschadigd. Ga voor het opladen als volgt te werk: BELANGRIJK Als de auto is uitgerust met een diefstalalarm, schakel het alarm dan uit met de afstandsbediening en stel het systeem buiten we ...
  • Page 213

    Probeer een bevroren accu niet op te laden: eerst moet de accu ontdooid worden, anders loopt u het risico dat de accu ontploft. Als de accu bevroren is geweest, moet worden gecontroleerd of de cellen niet beschadigd zijn (risico op kortsluiting) en of de bak geen scheuren vertoont, waardoor de giftige en corrosieve vloeistof kan weglekken. BELANGRIJK Een accu die gedurende langere tijd minder dan 50% geladen is, raakt door sulfatering beschadigd. Hierdoor loopt de capaciteit en het startvermogen terug. Ook is de accu dan gevoeliger voor bevriezing (bij temperaturen onder -10°C). Als u de auto langere tijd niet gebruikt, zie dan “Auto langere tijd stallen” in het hoofdstuk “Correct gebruik van de auto”. PRAKTISCHE TIPS OM DE LEVENSDUUR VAN DE ACCU TE VERLENGEN Houdt u, om snel ontladen van de accu te voorkomen en de levensduur te verlengen, zorgvuldig aan de volgende aanbevelingen: – De klemmen moet altijd goed zijn bevestigd. – Voorkom zoveel mogelijk het gebruik ...
  • Page 214

    Als grote stroomverbruikers, zoals: verwarming van het babyflesje, stofzuiger, mobiele telefoon, koelbox, enz.), bij uitgezette motor of als de motor stationair draait van voedingsspanning worden voorzien, dan zal de accu sneller ontladen. – Als aan boord van de auto extra systemen moeten worden geïnstalleerd, moet goed op de juiste aansluitingen worden gelet. Niet correcte elektrische verbindingen kunnen gevaarlijk zijn, vooral voor de elementaire elektronische systemen. – Als de auto langere tijd niet wordt gebruikt, is het raadzaam de accuklemmen los te maken van de accupolen (maak eerst de minklem los). Controleer de acculading als de accu voorzien is van een optische hydrometer. Laad de accu op als de optische hydrometer (A-fig. 41) geen groene kleur heeft (wendt u bij voorkeur tot een Alfa Romeo-dealer). Controleer daarna de acculading iedere drie maanden. BELANGRIJK Een accu die gedurende langere tijd minder dan 50% geladen is (de optische hydrometer heeft ee ...
  • Page 215

    WISSERBLADEN (fig. 43) Indien de motor onregelmatig loopt, laat dan de bougies uitsluitend door de Alfa Romeo-dealer controleren. Maak de wisserbladen regelmatig schoon en controleer de conditie. Vervang de wisserbladen als het rubber vervormd of versleten is: Als aan boord van de auto extra systemen moeten worden geïnstalleerd, moet goed op de juiste aansluitingen worden gelet. Niet correcte elektrische verbindingen kunnen gevaarlijk zijn, vooral voor de elementaire elektronische systemen (ontsteking, inspuiting, ABS.). Een niet correcte installatie van een autoradio, diefstalalarm, mobiele telefoon, enz. kan tot storingen in de elektronische regeleenheden leiden en de garantie in gevaar brengen. Wendt u voor deze werkzaamheden tot de Alfa Romeo-dealer. Het stroomverbruik van na aankoop van de auto gemonteerde accessoires mag niet hoger zijn dan 20 mA (bij stilstaande motor). De bougies moeten bij de kilometerstanden worden vervangen die in het onderh ...
  • Page 216

    BELANGRIJK De vorm van de wisserbladen kan, afhankelijk van de uitvoering, verschillend zijn. Houdt u in ieder geval aan de bijgeleverde instructies. RUITENSPROEIERS Controleer of de straal van de ruitensproeiers voor en de koplampsproeiers (indien gemonteerd) goed is afgesteld en voldoende kracht heeft. Controleer als de sproeiers niet goed werken of de ruitensproeiermonden niet verstopt zijn. Deze kunnen zonodig met een speld worden doorgeprikt CARROSSERIE BESCHERMING TEGEN ATMOSFERISCHE INVLOEDEN Alfa Romeo past constructieve technologische oplossingen toe om de carrosserie zo goed mogelijk tegen roest te beschermen. De belangrijkste oorzaken van roest zijn: – Luchtverontreiniging – Zoutgehalte in de lucht en luchtvochtigheid (gebieden aan zee, warm en vochtig klimaat). – Strooizout of gladheidbestrijdingsmiddelen, waarmee in de winter de wegen worden bestrooid. Voor een nog betere bescherming tegen roest zijn de volgende maatregelen genomen: – De toepassing ...
  • Page 217

    Parkeer de auto niet onder bomen, omdat de lak door harsdruppels, boomknoppen, enz. kan beschadigen. Voorkom dat tijdens het bijvullen olie, remvloeistof, koelvloeistof, elektrolyt van de accu, enz. op de lak terecht komt. Gebeurt dit toch, dan moet het betreffende gedeelte van de carrosserie onmiddellijk worden gereinigd en de auto grondig worden gewassen. LAK De lak heeft behalve een esthetische functie ook een beschermende functie. Daarom moeten beschadigingen van de laklaag, zoals krassen, onmiddellijk worden bijgewerkt om roestvorming te voorkomen. Het normale onderhoud van de auto beperkt zich tot wassen, waarbij de frequentie afhankelijk is van de omgeving en van het gebruik van de auto. Het is beter de auto vaker te wassen bij: – bij sterke luchtvervuiling; – het rijden over wegen met strooizout; 216 – het parkeren onder bomen waar harsdruppels vanaf kunnen vallen. Bij de Alfa Romeo-dealer is een complete lijn producten verkrijgbaar voor het onderhoud en ...
  • Page 218

    BELANGRIJK Vogeluitwerpselen dienen zo snel en zo goed mogelijk van de lak verwijderd te worden, omdat door de agressieve bestanddelen de lak kan beschadigen Voor een betere bescherming van de lak verdient het aanbeveling de auto regelmatig in de was te zetten met speciaal daarvoor bestemde producten (siliconenwas), die een beschermende laag op de lak aanbrengen. RUITEN Gebruik voor het schoonmaken van de ruiten een daarvoor geschikt schoonmaakmiddel. Gebruik een schone, zachte doek om krassen en beschadigingen te voorkomen. Let er bij het schoonmaken van de binnenzijde van de achterruit op, dat de elektrische weerstandsdraden van de achterruitverwarming niet worden beschadigd. Veeg voorzichtig in de richting van de draden. MOTORRUIMTE Het verdient aanbeveling de motorruimte na het winterseizoen zorgvuldig te laten uitspuiten. Laat dit verzorgen door een gespecialiseerd bedrijf. Schoonmaakmiddelen verontreinigen het water. Daarom moet de motorruimte bij voor ...
  • Page 219

    STOELEN EN STOFFEN BEKLEDING REINIGEN – Verwijder stof met een zachte borstel. Gebruik nooit alcohol of producten op basis van alcohol. – Verwijder vetvlekken met een speciaal daarvoor bestemd product. Volg de bijgeleverde instructies nauwgezet op. – Voor een nog grondigere reiniging kunnen de stoelen met een vochtige spons en een oplossing van neutrale zeep worden afgenomen. Houdt u aan de voorgeschreven mengverhouding. MET LEER BEKLEDE STOELEN SCHOONMAKEN Gebruik nooit ontvlambare producten zoals petroleum of wasbenzine. De elektrostatische lading die tijdens het reinigen door wrijving, kan brand veroorzaken. – Verwijder droog vuil met een zeemleer of een iets vochtige doek, zonder hard te drukken – Dep een vochtige vlek of vet met een droge en absorberende doek en wrijf daarbij niet. Behandel de plek vervolgens met een doek of zeem bevochtigd met water en een neutrale zeep. Als de vlek nog niet verwijderd is, behandel de vlek dan met een speciaal scho ...
  • Page 220

    ALFA 156 In dit hoofdstuk vindt u alle informatie die betrekking heeft op de Alfa 156 Sportwagon en die een aanvulling vormt op datgene wat al beschreven is in de voorgaande hoofdstukken van dit boek. PORTIEREN ...................................................................................................... pag. ZITPLAATSEN ............................................................................................................ VEILIGHEIDSGORDELS .......................................................................................... ACHTERRUITWISSER - ACHTERRUITSPROEIER .............................................. BAGAGERUIMTE ...................................................................................................... INTERIEURUITRUSTING ........................................................................................ TANKEN MET DE ALFA 156 SPORTWAGON .................................................... IMPERIAAL-/SKIDRAGER ................... ...
  • Page 221

    – Sluiten: druk op knopje (A-fig. 1) (dit kan ook bij geopend portier) en sluit het portier. ACHTERPORTIEREN Van buitenaf openen en sluiten Van binnenuit openen/sluiten P4U00253 – Openen: trek, als het knopje aan de binnenzijde (A-fig. 1) omhoog staat aan handgreep (B-fig. 2). De achterportieren kunnen alleen van binnenuit worden geopend, als het “kinderveiligheidsslot” is uitgeschakeld. – Openen: trek aan handgreep (A-fig. 3). – Sluiten: druk op knopje (B-fig. 3) (dit kan ook bij geopend portier) en sluit het portier. P4U00254 fig. 2 220 De achterportieren zijn voorzien van een kinderveiligheidsslot (A) waardoor de achterportieren niet van binnenuit kunnen worden geopend. BELANGRIJK Het systeem werkt alleen bij het betreffende portier. Het kinderveiligheidsslot kan alleen bij geopend portier worden ingeschakeld door het bedieningsmechanisme met de contactsleutel omhoog of omlaag te duwen. Stand 1 (mechanisme omhoog) = Systeem ingeschak ...
  • Page 222

    – Trek de hoofdsteunen ongeveer 2 cm omhoog. ZITPLAATSEN ACHTER – Druk de knoppen (A en B-fig. 5) gelijktijdig in en verwijder de hoofdsteunen. – Houd voor het monteren van de hoofdsteunen de knoppen (A en B-fig. 5) ingedrukt en steek de steunen geheel in de openingen. De auto is voorzien van twee hoofdsteunen voor de zijzitplaatsen achter (fig. 5). De auto kan ook zijn uitgerust met een derde hoofdsteun (optional) voor de middelste zitplaats achter (fig. 6). Voor de hoogte-verstelling van de derde hoofdsteun moet de steun helemaal omhoog worden geduwd totdat hij blokkeert. P4U00257 De derde (middelste) hoofdsteun kan niet worden verwijderd, terwijl de hoofdsteunen van de zijzitplaatsen achter op de volgende manier kunnen worden verwijderd: Onthoud dat de derde (middelste) hoofdsteun geheel moet worden uitgetrokken zodat het hoofd en niet de nek wordt gesteund. Alleen in deze positie biedt de steun bescherming, wanneer de auto van achteren aangerede ...
  • Page 223

    VEILIGHEIDSGORDELS BELANGRIJK Leg de hoes uit in de auto en steek dan pas de ski’s in de hoes. Laat na het vervoeren van ski’s de hoes drogen (als deze nat is), vouw hem vervolgens op en plaats hem in het skiluik. HOOGTEVERSTELLING VEILIGHEIDSGORDELS ACHTER P4U00338 Het skiluik kan als optional worden uitgerust met een hoes voor het vervoeren van ski’s. De bovenste bevestigingsbeugel van de zijveiligheidsgordels achter kan in drie verschillende standen worden gezet.De hoogte van de gordel moet altijd zijn afgestemd op het postuur van de inzittende. Dankzij deze voorzorgsmaatregel werkt de gordel beter en is het risico op verwondingen tijdens een botsing geringer. Controleer na het afstellen altijd of de bevestiging in één van de vaste posities is geblokkeerd. Laat de knop (A-fig. 10) los en duw de beugel naar beneden, zodat de bevestigingsbeugel blokkeert, als dit nog niet was gebeurd. De gordel is goed afgesteld als hij over de schouder halverwege t ...
  • Page 224

    P4U00377 Maak de gesp altijd vast in de steun als deze niet gebruikt wordt, om te voorkomen dat bij een ongeluk de inzittenden van de auto door de gesp geraakt kunnen worden. WERKING (fig. 12) Deze werkt alleen als de contactsleutel in stand MAR staat. Draai voor inschakeling van de achterruitwisser schakelaar (A) in stand '. De achterruitwisser wist met interval. Als u de bedieningshendel (B) naar voren duwt, schakelt de achterruitsproeier in; als u de hendel loslaat schakelt hij automatisch uit. Als de achterruitsproeier wordt ingeschakeld, gaat automatisch ook de achterruitwisser enkele seconden werken. fig. 11 WISSERBLAD VERVANGEN (fig. 13) Het wisserblad van de achterruitwisser moet samen met de wisserarm vervangen worden. Ga als volgt te werk: – Geef de stand van het wisserblad ten opzichte van de achterruit aan. – Til het dopje (A) op, draai de moer (B) los en verwijder de arm (C). – Plaats de nieuwe wisserarm in de juiste stand en draai de m ...
  • Page 225

    Als de ruitensproeier niet werkt, controleer dan eerst het niveau in het ruitensproeiertankje: zie de betreffende paragraaf in het hoofdstuk “Onderhoud van de auto”. Controleer vervolgens of de sproeiermonden (A) niet verstopt zijn. Deze kunnen zonodig met een speld worden doorgeprikt. De achterklep gaat dankzij de gasveren gemakkelijk open. BAGAGERUIMTE De achterklep kan zowel van binnenuit als van buitenaf worden geopend. BELANGRIJK Als de achterklep niet goed gesloten is, gaat het betreffende waarschuwingslampje van het checkpanel branden. VAN BINNENUIT OPENEN (fig. 15) Trek aan hendel (A) naast de bestuurdersstoel. P4U00266 fig. 14 224 VAN BUITENAF OPENEN MET DE SLEUTEL (fig. 16) Draai het embleem (A) in de door de pijl aangegeven richting, steek de sleutel (B) in het slot en draai de sleutel linksom. P4U00035 Bedien de hendel voor het ontgrendelen van de achterklep alleen als de auto stilstaat. De gasveren zijn zo afgesteld dat de ac ...
  • Page 226

    De achterklep kan van buitenaf worden geopend met de afstandsbediening door knopje (A) op de sleutel in te drukken, ook als het diefstalalarm (indien aanwezig) is ingeschakeld. Als bij auto’s met diefstalalarm de achterklep wordt geopend, dan worden de omtrekbeveiliging en de achterklepsensor uitgeschakeld.Het systeem geeft dan (behalve bij sommige uitvoeringen in enkele landen) twee geluidssignalen (“BIEP”) en de richtingaanwijzers gaan ongeveer 3 seconden branden. Als de achterklep wordt vergrendeld, dan wordt de beveiliging hersteld. Het systeem geeft (behalve bij sommige uitvoeringen in enkele landen) twee geluidssignalen (“BIEP”) en de richtingaanwijzers gaan ongeveer 3 seconden branden. ACHTERKLEP SLUITEN (fig. 18) BAGAGE VASTZETTEN (fig. 19-20) De vervoerde bagage kan met riemen of spanbanden worden bevestigd aan de daarvoor bestemde ringen in de hoeken van de bagageruimte. De ringen dienen ook voor het bevestigen van de bagagenetten (die leverbaar zi ...
  • Page 227

    Het middelste gedeelte (A-fig. 21) van de vloerbedekking is omkeerbaar: de vloerbedekking kan worden verwijderd, omgekeerd en weer geplaatst worden met de zijde (B) naar boven gekeerd. P4U00340 Steek voor het terugplaatsen van de vloerbedekking de voorste rand (A-fig. 22) in de zitting op de laadvloer. P4U00288 fig. 21 fig. 22 226 VOORZORGSMAATREGELEN BIJ HET TRANSPORT VAN BAGAGE Bij uitvoeringen zonder automatische niveauregeling op de achterwielophanging moet als u voorwerpen vervoert en u ‘s nachts rijdt, gecontroleerd worden of de hoogteregelaars op de koplampen in de juiste stand staan (zie paragraaf “Koplampen” in dit hoofdstuk). Controleer voor de juiste werking van de hoogteregelaars bovendien of de lading niet zwaarder is dan in de gewichtentabel staat aangegeven. Het maximum laadvermogen van de auto mag nooit overschreden worden (zie hoofdstuk “Technische gegevens”). Controleer bovendien of de bagageruimte goed geladen is, om te voor ...
  • Page 228

    Als u de achterklep opent, dan gaat automatisch de verlichting (A-fig. 23) aan de rechterzijde van de bagageruimte en de verlichting (B-fig. 24) op de rand van de achterklep branden. OPBERGVAKKEN (fig. 25-26) STEKKERDOOS (fig. 27) Aan de zijkant van de bagageruimte bevinden zich twee opbergvakken met een deksel. Deze bevindt zich links in de bagageruimte. Druk voor het openen van het deksel op knop (A) en kantel het deksel omlaag. P4U00273 De verlichting (B-fig. 24) verlicht niet alleen de bagageruimte maar ook de laadruimte. De verlichting dooft als u de achterklep sluit of na enkele minuten (ongeveer 20) als u de achterklep open laat. Als u in dit laatste geval de verlichting weer wilt inschakelen, moet u de achterklep sluiten en vervolgens weer openen. fig. 24 Sluit geen accessoires op de stekkerdoos aan met een stroomverbruik dat hoger is dan de aangegeven maximale waarde. Een langdurig stroomverbruik kan de accu uitputten, waardoor de m ...
  • Page 229

    BELANGRIJK Begeleid de rolhoes bij het oprollen door de hoes vast te houden bij de handgreep (C-fig. 35). P4U00341 P4U00275 228 fig. 32 P4U00342 fig. 30 P4U00276 fig. 29 De hoes (A-fig. 35) kan worden opgerold en verwijderd. Verwijder voor het oprollen de twee achterste pennen (B-fig. 36) uit de zittingen. Bevestig het net door de haken (A-fig. 30) in de zittingen (B-fig. 30) te steken en ze omlaag te duwen. fig. 28 ROLHOES VOOR AFDEKKEN BAGAGERUIMTE P4U00343 Het net kan op verschillende manieren worden bevestigd (fig. 31-32-33-34) in de zittingen (A en B-fig. 28) aan de voorzijde en de zittingen (C en D-fig. 29) aan de achterzijde van de bagageruimte. Houd om het net los te haken bevestigingspunt (C-fig. 30) ingedrukt en trek het net omhoog. fig. 31 P4U00344 BAGAGENETTEN (indien aanwezig) fig. 33 ...
  • Page 230

    Voor het terugplaatsen van de hoes moeten de uiteinden van het rolmechanisme in de respectievelijke zittingen worden geplaatst. Zorg dat de bevestigingshaken naar voren vergrendeld zijn (de groene symbolen aan de onderkant van de knoppen moeten zichtbaar zijn). Rol vervolgens de hoes uit door aan de handgreep (C-fig. 35) te trekken en haak de achterste pennen (B-fig. 36) vast. Bij een ongeval of plotseling remmen kunnen voorwerpen die op de hoes geplaatst zijn, naar voren schieten en de inzittenden verwonden; het is raadzaam het scheidingsnet te gebruiken. P4U00345 Als u de rolhoes wilt verwijderen, moet u de hoes oprollen en controleren of ook het scheidingsnet tussen de bagageruimte en het interieur van de auto is opgerold (zie de volgende paragraaf); trek vervolgens de haken (A-fig. 37) naar achteren. Til de hoes op en verwijder hem uit de bagageruimte. Plaats geen voorwerpen op de hoes om beschadiging te voor- fig. 35 fig. 36 P4U00279 P4U00277 ...
  • Page 231

    Het bovenste scheidingsnet tussen de bagageruimte en het interieur is opgeborgen in het rolmechanisme van de rolhoes (A). U kunt het net bevestigen door het uit het rolmechanisme te verwijderen en de uiteinden in de zittingen (B) vast te haken. Haak voor het oprollen de uiteinden uit de zittingen (B) en begeleid het net bij het oprollen. Verwijder voor het oprollen de haken (B) uit de ringen (C) en begeleid het net bij het oprollen. ONDERSTE SCHEIDINGNET (fig. 40-41) (indien aanwezig) Het onderste scheidingsnet tussen de bagageruimte en het interieur is opgeborgen in het rolmechanisme onder de zitting van de rolhoes (A). U kunt het net bevestigen door het uit het rolmechanisme te verwijderen en de haken (B) aan de ringen (C) te bevestigen. P4U00346 BOVENSTE SCHEIDINGSNET (fig. 38-39) fig. 38 230 fig. 39 P4U00349 P4U00280 P4U00281 fig. 40 fig. 41 ...
  • Page 232

    BAGAGERUIMTE VERGROTEN Het is mogelijk de bagageruimte te vergroten door de deelbare achterbank gedeeltelijk (1/3 of 2/3) of geheel neer te klappen. Verwijder voor een maximale laadruimte de rolhoes volgens de instructies die in deze paragraaf vermeld zijn. Gedeeltelijke vergroting 2/3 (fig. 43) Maximale vergroting (fig. 44) Als u de rechterzijde van de bagageruimte vergroot, kunt u een passagier op het linker gedeelte van de achterbank vervoeren. Als beide zitplaatsen achter worden neergeklapt, is de bagageruimte maximaal vergroot. Gedeeltelijke vergroting 1/3 (fig. 42) fig. 42 fig. 43 P4U00282 P4U00283 P4U00284 Als u de linkerzijde van de bagageruimte vergroot, kunt u twee passagiers op het rechter gedeelte van de achterbank vervoeren. fig. 44 231 ...
  • Page 233

    – Zorg dat de sluitingen (A-fig. 45) van de zijgordels zijn opgeborgen in de respectievelijke uitsparingen op de rugleuning en de gesp (B-fig. 45) van de heupgordel in de steun (C-fig. 45) is geplaatst. – Verwijder het rolmechanisme van de rolhoes. – Ontgrendel de sluiting van de rugleuningen door handgreep (A-fig. 48) voor de rechter rugleuning en handgreep (B-fig. 49) voor de linker rugleuning omhoog te trekken. Zitplaatsen achter in normale stand zetten – Zet de rugleuningen weer rechtop en controleer of deze goed vastgehaakt zitten. – Klap de rugleuningen naar voren, waardoor er een vlakke laadvloer ontstaat in de bagageruimte. P4U00260 – Klap de zittingen naar voren door aan de handgreep (A-fig. 46) in het midden van iedere zitting te trekken. P4U00258 Bagageruimte vergroten – Verwijder de hoofdsteunen van de zijzitplaatsen achter en plaats ze in de daarvoor bestemde uitsparingen in de zittingen (fig. 47). fig. 45 232 fig. 47 P4U0030 ...
  • Page 234

    BELANGRIJK De rugleuningen zijn goed vastgehaakt als knop (A-fig. 50) naast de handgreep (B-fig. 50) in de handgreep verzonken is. INTERIEURUITRUSTING TANKEN MET DE ALFA 156 SPORTWAGON – Verwijder de hoofdsteunen en klap vervolgens de zittingen terug en let er daarbij op dat de veiligheidsgordels niet in elkaar gedraaid zitten tussen de rugleuning en de zitting. HANDGREPEN (fig. 51) TANKKLEPJE OPENEN IN GEVAL VAN NOOD (fig. 52) – Monteer de hoofdsteunen op de rugleuning. Bij beide voorportieren is een handgreep geplaatst. Bij beide achterportieren is een handgreep (A) geplaatst met een kledinghaakje (B). Als de hendel voor het ontgrendelen van het tankklepje niet werkt, trek dan aan het noodkoordje (A) rechts in de bagageruimte. fig. 50 fig. 51 P4U00347 P4U00112 P4U00287 – Monteer het oprolmechanisme met de rolhoes. fig. 52 233 ...
  • Page 235

    AUTORADIO IMPERIAAL-/ SKIDRAGER (fig. 53) (indien aanwezig) HIFI-AUDIOSYSTEEM (indien aanwezig) De auto kan uitgerust worden met twee langsdragers waarop verschillende accessoires geplaatst kunnen worden voor het vervoer van diverse voorwerpen (ski’s, surfplanken, enz.). Het hifi-audiosysteem bestaat uit: – twee woofer-luidsprekers met hoog uitgangsvermogen en twee tweeter-luidsprekers, gemonteerd in de voorportieren – twee midrange-luidsprekers met hoog uitgangsvermogen, gemonteerd in de achterportieren P4U00348 Overschrijd nooit het maximum draagvermogen (zie hoofdstuk “Technische gegevens”). fig. 53 234 – een subwoofer met hoog uitgangsvermogen, gemonteerd in de bagageruimte – storings-onderdrukkers – een in de achterspoiler geïntegreerde antenne met regeleenheid. AUTOMATISCHE NIVEAUREGELING OP DE ACHTERWIELOPHANGING (indien aanwezig) In plaats van de conventionele schokdempers zijn bij de auto schokdempers met hydro-pneumatisch ...
  • Page 236

    PLAATS VAN GEREEDSCHAP EN RESERVEWIEL (fig. 54-55) Het gereedschap en het reservewiel vindt u onder de vloerbedekking in de bagageruimte. Ze zijn bereikbaar nadat de vloerbedekking is opgetild of verwijderd m.b.v. handgreep (A-fig. 54). Draai om de gereedschaphouder (B) uit te nemen handgreep (C) los. Het reservewiel (D) kan worden uitgenomen als de gereedschaphouder is verwijderd. Steek voor het terugplaatsen van de vloerbedekking de voorste rand (A-fig. 55) in de zitting op de laadvloer. fig. 54 DEFECTE BUITENVERLICHTING BELANGRIJK Lees voordat u een gloeilamp vervangt de opmerkingen en de voorzorgsmaatregelen in het hoofdstuk “Noodgevallen”. ACHTERUITRIJLICHTEN EN MISTACHTERLICHT Gloeilampen (type B, 21W) vervangen: – Open de achterklep. – Verwijder het deksel (A of B-fig. 56) van de betreffende lichtunit aan de zijkant. P4U00288 P4U00289 Het maximum laadvermogen van de auto mag nooit overschreden worden (zie hoofdstuk “Technische gegevens”). De ...
  • Page 237

    – Verwijder de lamphouder (D-fig. 57) door op de borglippen (E-fig. 57) te drukken. – Plaats het deksel (A of B-fig. 56) vanaf de buitenzijde en klem het vast. RICHTINGAANWIJZERS ACHTER, PARKEERLICHTEN ACHTER EN REMLICHTEN Gloeilampen (type B, vermogen richtingaanwijzers 21W, parkeerlichten achter/remlichten 5/21W): – Open de achterklep. – Draai de 2 bevestigingsmoeren Afig. 59) los en verwijder het beschermdeksel (B-fig. 59). P4U00291 – Verwijder en vervang de betreffende lamp (bolvormig met bajonetfitting) door de lamp iets in te drukken en linksom te draaien (fig. 58): (F) gloeilamp voor achteruitrijlicht (G) gloeilamp voor mistachterlicht. – Monteer de lamphouder met behulp van de borglippen (E-fig. 57). – Verwijder de lamphouder (A-fig. 60) door op de borglippen (B-fig. 60) te drukken. fig. 58 236 fig. 59 P4U00294 P4U00292 P4U00293 fig. 57 fig. 60 ...
  • Page 238

    (C) gloeilamp voor achterlicht/remlicht (D) gloeilamp voor richtingaanwijzer achter. – Monteer de lamphouder met behulp van de borglippen (B-fig. 60). – Monteer het beschermdeksel (B-fig. 59) met de moeren (A-fig. 59). KENTEKENPLAATVERLICHTING DERDE REMLICHT Gloeilampen (type A, 5W) vervangen: – Maak de lichtunit los door met de platte punt van een schroevendraaier de klemveer (A-fig. 62) los te haken. Bescherm hierbij de punt met een zachte doek. Het derde remlicht is in de achterspoiler geïntegreerd (fig. 64). Wendt u voor het vervangen tot de Alfa Romeo-dealer. – Verwijder de lichtunit (A-fig. 62). – Verwijder de lamphouder (C-fig. 63) door hem linksom te draaien en vervang de geklemde lamp (D-fig. 63). P4U00297 – Verwijder en vervang de betreffende lamp (bolvormig met bajonetfitting) door de lamp iets in te drukken en linksom te draaien (fig. 61): – Monteer de lamphouder (C-fig. 63) door hem rechtsom te draaien. – Monteer de lichtunit (B- ...
  • Page 239

    DEFECTE INTERIEURVERLICHTING BAGAGERUIMTEVERLICHTING P4U00299 BELANGRIJK Lees voordat u een gloeilamp vervangt de opmerkingen en de voorzorgsmaatregelen in het hoofdstuk “Noodgevallen”. ACHTERKLEPVERLICHTING Gloeilamp (type C, 10W) vervangen: Gloeilamp (type C, 10W) vervangen: – Open de achterklep. – Open de achterklep. – Maak het plafondlampje (A-fig. 65) op het door de pijl aangegeven punt los. – Maak de lichtunit (A-fig. 67) met een platte schroevendraaier op het aangegeven punt los. – Verwijder de lamp (B-fig. 66) door de lamp naar buiten te trekken en uit de veercontacten los te maken. – Verwijder de lamp (B-fig. 68) door de lamp naar buiten te trekken en uit de veercontacten los te maken. – Plaats de nieuwe lamp tussen de veercontacten. – Plaats de nieuwe lamp tussen de veercontacten. – Monteer het plafondlampje door eerst de zijde met de stekker te plaatsen en vervolgens de andere zijde vast te drukken, totdat de borglip ...
  • Page 240

    EEN DOORGEBRANDE ZEKERING OF RELAIS Systeem/Componenten Zekering Ampèrage Plaats Extra stekkerdoos in de bagageruimte 9 20A fig. 69 Een zekering specifiek voor de Sportwagon-uitvoeringen bevindt zich in de centrale zekeringenhouder naast de zekeringen- en relaiskast. De zekering is bereikbaar nadat het beschermpaneel is verwijderd. P4U00423 BELANGRIJK Lees voordat u een zekering of relais vervangt de opmerkingen en de voorzorgsmaatregelen in het hoofdstuk “Noodgevallen”. fig. 69 239 ...
  • Page 241

    ...
  • Page 242

    TECHNISCHE GEGEVENS Op de volgende pagina’s staan de belangrijkste technische gegevens van de auto. Voor de “technici” en de “liefhebbers” zullen deze pagina’s waarschijnlijk de belangrijkste van het hele boekje zijn. Het raadplegen van deze pagina’s is noodzakelijk voor de identificatie van belangrijke en nog niet genoemde eigenschappen van uw auto. IDENTIFICATIEGEGEVENS ..................................................................... pag. ..242 MOTORCODES - CARROSSERIE-UITVOERINGEN ...................................... ..243 AFMETINGEN ..................................................................................................... ..244 MOTOR ................................................................................................................ ..246 BRANDSTOFSYSTEEM - ONTSTEKING ......................................................... ..247 BAGAGERUIMTE ................................................................................... 248-249 GEWIC ...
  • Page 243

    IDENTIFICATIEGEGEVENS Wij raden u aan om u op de hoogte te stellen van de identificatiegegevens. De identificatiegegevens zijn ingeslagen of aangebracht op plaatjes. De gegevens zijn op de volgende plaatsen aangebracht (fig. 1-2): 1 - Typeplaatje met identificatiegegevens 2 - Chassisnummer 3 - Plaatje met informatie over de carrosserielak: CHASSISNUMMER MOTORNUMMER Het chassisnummer is ingeslagen in de motorruimte, naast de bovenste schokdemperbevestiging rechts en bevat de volgende gegevens: Het motornummer is linksachter ingeslagen aan de kant van de versnellingsbak. – Identificatiecode van het autotype: ZAR 932000. – Oplopend productienummer(chassisnummer). Op enige uitvoeringen is het chassisnummer gedeeltelijk bedekt door een bescherming. Om het gehele nummer te zien, moet de dop linksom worden gedraaid en de bescherming opgetild. A. Fabrikant van de lak. C. Kleurcode. P4U00303 P4U00241 P4U00242 D. Kleurcode voor bijwerken en overspuit ...
  • Page 244

    TYPEPLAATJE MET IDENTIFICATIEGEGEVENS Het plaatje is aangebracht op de fronttraverse in de motorruimte (fig. 4). Het typeplaatje bevat de volgende gegevens: A. Nummer nationale typegoedkeuring P4U00243 C. Maximaal toelaatbare gewichten volgens de nationale wetgeving D. Informatie over uitvoering en eventuele aanvullende gegevens E. Correctiewaarde voor de uitlaatrookgasmeting (alleen JTD-uitvoeringen) F. Ingeslagen fabrikantnaam. fig. 4 B. Chassisnummer MOTORCODES - CARROSSERIE-UITVOERINGEN Motorcode 1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK Selespeed 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V Q-System 1.9 JTD 2.4 JTD AR32104 AR32103 (*) AR32205 AR32310 AR32310 AR32405 AR32405 AR37101 839A6000 Code vd carrosserie-uitvoering (Sedan-uitvoeringen) 932A4100 31 932A3100 30 932A4100 32 (*) 932A2100 28 932A2101 29 932A1100 26 932A1101 27 932A2B00 41 932A1B00 40 Code vd carrosserie-uitvoering (Sportwagon- ...
  • Page 245

    P4U00244 AFMETINGEN – De waarden tussen haakjes hebben betrekking op de uitvoeringen 1.6 T.SPARK, 1.8 T.SPARK en 1.9 JTD – Afmetingen in mm – De hoogte heeft betrekking op een onbelaste auto – Afhankelijk van de uitvoering kan de auto worden uitgerust met een achterspoiler en side-skirts in de kleur van de auto. fig. 5 244 ...
  • Page 246

    P4U00305 – De waarden tussen haakjes hebben betrekking op de uitvoeringen: 1.6 T.SPARK, 1.8 T.SPARK en 1.9 JTD – Afmetingen in mm – De hoogte heeft betrekking op een onbelaste auto fig. 6 245 ...
  • Page 247

    MOTOR 1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V Selespeed Plaats 2.5 V6 24V Q-System 1.9 JTD 2.4 JTD Dwars voorin Dwars voorin Dwars voorin Dwars voorin Dwars voorin Dwars voorin Dwars voorin Dwars voorin 4 in lijn 4 in lijn 4 in lijn 4 in lijn 6 in V van 60° 6 in V van 60° 4 in lijn 5 in lijn Cyclus Otto Otto Otto Otto Otto Otto Diesel Diesel Boring 82 mm 82 mm 83 mm 83 mm 88 mm 88 mm 82 mm 82 mm Aantal en opstelling cilinders Slag Cilinderinhoud 75,65 mm 82,7 mm 3 3 91 mm 91 mm 3 3 1970 cm 68,3 mm 68,3 mm 90,4 mm 90,4 mm 3 3 3 1910 cm 2387 cm3 1598 cm 1747 cm 1970 cm 2492 cm 2492 cm kW EU pk EU min-1 88 120 6200 103 140 6500 110 150 6300 110 150 6300 141 192 6300 141 192 6300 81 110 4000 103 140 4000 Nm EU kgm EU min-1 1 ...
  • Page 248

    BRANDSTOFSYSTEEM - ONTSTEKING 1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK Elektr. geregelde inspuiting Multi Point BOSCH ME7.3.1 EOBD Elektr. geregelde inspuiting Multi Point BOSCH ME7.3.1 EOBD Elektr. geregelde Elektr. geregelde Elektr. geregelde Elektr. geregelde Directe inspuiting inspuiting inspuiting inspuiting BOSCH Multi Point Multi Point Multi Point Multi Point COMMON RAIL BOSCH BOSCH BOSCH BOSCH EDC-15C met ME7.3.1 EOBD ME7.3.1 EOBD ME3.1 EOBD ME3.1 EOBD turbodrukvulling 850 ± 30 850 ± 30 850 ± 30 850 ± 30 700 ± 30 700 ± 30 850 ± 30 800 ± 30 NGK PFR6B + NGK PMR7A NGK BKR6EKPA + NGK PMR7A NGK PFR6B + NGK PMR7A NGK BKR6EKPA + NGK PMR7A NGK PFR6B + NGK PMR7A NGK BKR6EKPA + NGK PMR7A NGK PFR6B + NGK PMR7A NGK BKR6EKPA + NGK PMR7A NGK R PFR6B NGK R PFR6B – – Vervangingsinterval 100.000 km 100.000 km 100.000 km 100.000 km 100.000 km 100.000 km – – Ontstekings ...
  • Page 249

    BAGAGERUIMTE - SEDAN-UITVOERINGEN 1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V Selespeed Q-System Inhoud (dm3) 378 GEWICHTEN - SEDAN-UITVOERINGEN 378 378 378 378 378 1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V Selespeed Q-System 1.9 JTD 2.4 JTD 378 378 1.9 JTD 2.4 JTD Rijklaar gewicht 1265 kg 1265 kg 1285 kg 1285 kg 1355 kg 1385 kg 1305 kg 1385 kg Max. toelaatbaar totaalgewicht (*) 1750 kg 1750 kg 1770 kg 1770 kg 1820 kg 1850 kg 1770 kg 1850 kg Nuttig laadvermogen inclusief bestuurder (**) 520 kg 520 kg 520 kg 520 kg 500 kg 500 kg 500 kg 500 kg Gewicht van de aanhanger 1300 kg 1300 kg 1300 kg 1300 kg 1400 kg 1400 kg 1300 kg 1400 kg 60 kg 60 kg 60 kg 60 kg 60 kg 60 kg 60 kg 60 kg Max. gewicht op de trekhaak (*)Maximum waarden die niet mogen wo ...
  • Page 250

    BAGAGERUIMTE - SPORTWAGON-UITVOERINGEN 1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V Selespeed Q-System 1.9 JTD 2.4 JTD Inhoud (dm3) 360 360 360 360 360 360 360 360 Inhoud met neergeklapte rugleuning (dm3) 1180 1180 1180 1180 1180 1180 1180 1180 GEWICHTEN - SPORTWAGON-UITVOERINGEN 1.9 JTD 2.4 JTD 1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK Selespeed 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V Q-System Rijklaar gewicht 1315 kg 1315 kg 1335 kg 1335 kg 1405 kg 1435 kg 1355 kg 1435 kg Max. toelaatbaar totaalgewicht (*) 1795 kg 1795 kg 1815 kg 1815 kg 1865 kg 1895 kg 1815 kg 1895 kg Nuttig laadvermogen inclusief bestuurder (**) 515 kg 515 kg 515 kg 515 kg 495 kg 495 kg 495 kg 495 kg Gewicht van de aanhanger 1300 kg 1300 kg 1300 kg 1300 kg 1400 kg 1400 kg 1300 kg 1400 kg 60 kg 60 kg ...
  • Page 251

    VULLINGSTABEL 1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V Selespeed Q-System 1.9 JTD Loodvrije superbenzine met octaangetal van ten minste 95 R.O.N Brandstoftype 2.4 JTD Diesel Inhoud brandstoftank 63 liter 63 liter 63 liter 63 liter 63 liter 63 liter 63 liter 63 liter 7 liter 7 liter 7 liter 7 liter 7 liter 7 liter 7 liter 7 liter 4,40 liter 4,40 liter 4,40 liter 4,40 liter 5,90 liter 5,90 liter 4,20 liter 5,50 liter 2 liter 2 liter 2 liter 2 liter 2 liter – 2 liter 2 liter Olie Selespeed – – – 0,6 liter – – – – Olie autom. versnellingsbak Q-system – – – – – 3,8 liter – – 6,9 liter 6,9 liter 6,9 liter 6,9 liter 9,2 liter 9,2 liter 6,1 liter 6,8 liter 2,5 liter (5,3 liter) * 2,5 liter (5,3 liter) * 2,5 liter (5,3 liter) * 2,5 liter (5,3 liter) * 2,5 lit ...
  • Page 252

    MOTOROLIEVERBRUIK De motor van een nieuwe auto moet nog worden ingereden. Dit betekent dat het motorolieverbruik pas na de eerste 5000 ÷ 6000 km stabiliseert. BELANGRIJK Het motorolieverbruik hangt af van de rijstijl en de gebruiksomstandigheden van de auto. ELEKTRISCHE INSTALLATIE 1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V Selespeed Q-System Spanning van de elektr. installatie 1.9 JTD 2.4 JTD 12 volt 12 volt 12 volt 12 volt 12 volt 12 volt 12 volt 12 volt Capaciteit accu 50 Ah (60 Ah)* 50 Ah (60 Ah)* 60 Ah 60 Ah 70 Ah*** 70 Ah*** 50 Ah 60 Ah** 70 Ah Dynamo 85 A (100 A)** 85 A (100 A)** 100 A 100 A 120 A 120 A 85 A (100 A)** (100 A)• 100 A (120 A)• (*) (**) (***) (•) Voor bepaalde landen/uitvoeringen Voor uitvoeringen met airconditioning Vanwege de beschikbare ruimte moet de accu een hoogte hebben van 175 mm Voor uitvoeringen met hulpverwarming ...
  • Page 253

    BRANDSTOFVERBRUIK Het brandstofverbruik dat in de tabellen is opgenomen, is gemeten volgens een vastgestelde testmethode die in EU-normen is vastgelegd. Het brandstofverbruik is gemeten tijdens: – een stadsrit: opgebouwd uit een koude start gevolgd door een gesimuleerde, normale testrit in stadsverkeer; – een rit buiten de stad: waarbij veelvuldig wordt geaccelereerd in alle versnellingen en waarmee een normaal gebruik van de auto buiten de stad wordt gesimuleerd. De snelheid varieert tussen de 0 en 120 km/h; – gecombineerd: de waarde van de stadsrit telt mee voor 37% en de waarde van de rit buiten de stad voor 63%. 252 BELANGRIJK Het soort wegdek, bedrijfsomstandigheden, verkeerssituatie, atmosferische omstandigheden, algemene conditie van de auto, uitrustingsniveau, lading van de auto, imperiaal op het dak en de aanwezigheid van andere accessoires die de aërodynamica kunnen beïnvloeden kunnen in de praktijk een brandstofverbruik opleveren, dat afwijkt van de result ...
  • Page 254

    BRANDSTOFVERBRUIK VOLGENS EU 1999/100-NORMEN (LITER X 100 KM) SEDAN-UITVOERING 1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V Selespeed Q-System 1.9 JTD 2.4 JTD Stadsverkeer 11,4 12,1 12,3 12,3 17,5 17,5 7,8 8,9 Buitenweg 6,4 6,4 6,6 6,6 8,5 8,6 4,7 5,4 Gecombineerd 8,2 8,5 8,7 8,7 11,8 11,9 5,8 6,7 1.9 JTD 2.4 JTD SPORTWAGON-UITVOERING 1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V Selespeed Q-System Stadsverkeer 11,5 12,2 12,6 12,6 17,8 18,1 7,9 9,0 Buitenweg 6,5 6,5 6,9 6,9 8,6 8,8 4,9 5,6 Gecombineerd 8,3 8,6 9,0 9,0 12,0 12,2 6,0 6,8 253 ...
  • Page 255

    CO2-EMISSIE VIA DE UITLAAT De CO2-emissie via de uitlaat is gemeten op een gemiddeld gecombineerd traject. De maximale waarden zijn in de onderstaande tabellen weergegeven. CO2-EMISSIE VOLGENS EU 1999/100-NORMEN UITVOERING SEDAN Waarde (g/km) UITVOERING SPORTWAGON Waarde (g/km) 254 1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V Selespeed Q-System 195 202 207 207 282 283 1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V Selespeed Q-System 198 205 214 214 286 291 1.9 JTD 2.4 JTD 155 178 1.9 JTD 2.4 JTD 160 180 ...
  • Page 256

    PRESTATIES UITVOERING SEDAN Topsnelheid 1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V Selespeed Q-System 200 km/h 208 km/h 214 km/h 214 km/h 230 km/h 1.9 JTD 2.4 JTD 227 km/h 191 km/h 205 km/h Acceleratie van 0-100 km/h 10,5 s 9,4 s 8,8 s 8,8 s 7,3 s 8,5 s 10,3 s 9,4 s Kilometer met staande start 31,8 s 30,7 s 29,8 s 29,8 s 27,8 s 29,0 s 32,6 s 30,5 s 1.9 JTD 2.4 JTD UITVOERING SPORTWAGON Topsnelheid Acceleratie van 0-100 km/h Kilometer met staande start 1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V Selespeed Q-System 200 km/h 208 km/h 214 km/h 214 km/h 230 km/h 227 km/h 191 km/h 205 km/h 11,0 s 32,3 s 9,7 s 31,0 s 9,0 s 29,8 s 9,0 s 29,8 s 7,4 s 27,9 s 8,5 s 29,2 s 10,7 s 32,9 s 9,8 s 30,7 s 255 ...
  • Page 257

    REMMEN 1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V Selespeed Q-System 1.9 JTD 2.4 JTD Schijfremmen Geventileerde schijfremmen Schijfremmen Voetrem voor Schijfremmen Schijfremmen achter Schijfremmen Schijfremmen Geventileerde schijfremmen Schijfremmen Geventileerde schijfremmen Schijfremmen Geventileerde schijfremmen Schijfremmen Geventileerde schijfremmen Schijfremmen Schijfremmen Antiblokkeersysteem (ABS) met elektronische remdrukverdeling (EBD). Rembekrachtiger. Waarschuwingslampje versleten remblokken. Milieuvriendelijke remvoeringen. Handrem Bediend door handremhefboom en werkend op de achterremmen STUURINRICHTING 1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V Selespeed Q-System Type Diameter draaicirkel (tussen stoepranden) 256 1.9 JTD 2.4 JTD 11,1 m 11,6 m Tandheugelstuurhuis. Hydraulische bekrachtiging met oliereservoir in motorruimte. ...
  • Page 258

    TRANSMISSIE 1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK Selespeed Versnellingsbak Koppeling Aandrijving Vijf gesynchroniseerde versnellingen vooruit en één versnelling achteruit Enkelvoudige droge plaatkoppeling met hydraulische bediening Op voorwielen Op voorwielen Op voorwielen 2.5 V6 24V Elektr. geregelde Zes versnellingen versn.bak met vijf vooruit en versnellingen vooruit één versnelling en één achteruit achteruit 2.5 V6 24V Q-System 1.9 JTD Elektr. geregelde viertrapsautomaat vier versn. vooruit en één achteruit Vijf gesynchroniseerde versnellingen vooruit en één versnelling achteruit Enkelvoudige Enkelvoudige Hydraulisch met droge plaatkoppeling droge plaatkoppeling Lock-up met elektrohydr. met hydraulische koppeling bediening bediening Op voorwielen Op voorwielen Op voorwielen 1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK Selespeed 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V Q-System 2.4 JTD Enkelvoudige ...
  • Page 259

    SPECIFICATIES VAN DE SMEERMIDDELEN EN VLOEISTOFFEN AANBEVOLEN PRODUCTEN EN HUN SPECIFICATIES Smering voor benzinemotoren (*) Multigrade motorolie SAE 5W-30 op synthetische basis; voldoet ruimschoots aan de specificaties ACEA A1 en API SJ. Aanbevolen voor temperaturen onder de –20°C. Multigrade motorolie SAE 10W-40 op synthetische basis; voldoet ruimschoots aan de specificaties ACEA B3 en API CD. Smering voor dieselmotoren Multigrade motorolie SAE 5W-30 op synthetische basis; voldoet ruimschoots aan de specificaties ACEA B3 en API CF. Aanbevolen voor temperaturen onder de –15°C. SELENIA PERFORMER 30° 20° 10° 0° SELENIA TURBO DIESEL SELENIA WR DIESEL (*) Bij uitgesproken sportief gebruik van de auto wordt de geheel synthetische motorolie SELENIA RACING 10W60 aanbevolen. BELANGRIJK Smeersystemen nooit bijvullen met olie waarvan de specificaties afwijken van de in het systeem aanwezige olie. 258 40° -10° -20° -30° °C P4U00374 SELENIA ...
  • Page 260

    Gebruik Specificaties van de smeermiddelen en vloeistoffen voor een correct functioneren van de auto Aanbevolen smeermiddelen en vloeistoffen Toepassing Synthetische SAE 75W80 EP olie. Voldoet ruimschoots aan de specificaties API GL-5 en MIL L-2105 D LEV. TUTELA CAR ZC 75 SYNTH Mechanische versnellingsbak en differentieel Olie voor automatische versnellingsbakken DEXRON II. TUTELA GI/2 Autom. versnellingsbak Olie voor Selespeed versnellingsbak. TUTELA CS SPEED Selespeed versnellingsbak Olie type ATF DEXRON II D LEV, SAE 10W. TUTELA GI/A Hydraul. stuurbekrachtiging Waterafstotend vet op basis van lithiumzepen, indringingsgetal: NLGI=2, bevat molybdeenbisulfide. TUTELA MRM 2 Homokinetische koppelingen Remvloeistof Synthetische remvloeistof, NHTSA nr. 116 DOT 4, ISO 4925, SAE J-1703, CUNA NC 956-01. TUTELA CAR TOP 4 FOR ALFA ROMEO Hydraulisch remsysteem en koppelingbediening Anti-vries voor radiateur Beschermin ...
  • Page 261

    BANDEN (TUBELESS) 1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V Selespeed Q-System Standaarduitrusting – velgmaat – bandenmaat 1.9 JTD 2.4 JTD 6J x 15” 6J x 15” 6,5J x 15” 6,5J x 15” 6,5J x 15” 6,5J x 15” 6J x 15” 6,5J x 15” 185/65 R15” 88H 185/65 R15” 88V 185/65 R15” 88V 185/65 R15” 88V 205/60 R15” 91W 205/60 R15” 91W 185/65 R15” 88H 185/65 R15” 88V PIRELLI P6000 PIRELLI P6000 PIRELLI P6000 PIRELLI P6000 PIRELLI P6000 PIRELLI P6000 PIRELLI P6000 PIRELLI P6000 MICHELIN ENERGY XH1 GOOD YEAR EAGLE TOURING NCT3 E– MICHELIN ENERGY XV1 GOOD YEAR EAGLE TOURING NCT3 E– MICHELIN ENERGY XV1 GOOD YEAR EAGLE TOURING NCT3 E– MICHELIN ENERGY XV1 GOOD YEAR EAGLE TOURING NCT3 E MICHELIN MICHELIN HX MXM HX MXM GOOD YEAR EAGLE GOOD YEAR EAGLE TOURING TOURING NCT3 4RIV– NCT3 4RIV– FIRESTONE FH700 FIRESTONE FH700 FIRESTONE FH700 FIRESTONE FH700 – 6,5J x 15” 6,5J x 15” 6,5J x 15” 6,5J x 15” 185/6 ...
  • Page 262

    1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 2.5 V6 24V Selespeed Q-System 1.9 JTD 2.4 JTD Bandenspanning in koude toestand in bar (kg/cm2) – geringe belading (2 pers.) Voor Achter 2,2 2,2 Voor Achter 2,2 2,2 Voor Achter 2,2 2,2 Voor Achter 2,2 Voor 2,2 Achter 2,2 2,2 Voor Achter 2,2 2,2 Voor Achter 2,2 2,2 Voor Achter 2,2 2,2 – volbeladen Voor Achter 2,5 2,5 Voor Achter 2,5 2,5 Voor Achter 2,5 2,5 Voor Achter 2,5 Voor 2,5 Achter 2,5 2,5 Voor Achter 2,5 2,5 Voor Achter 2,5 2,5 Voor Achter 2,5 2,5 Reservewiel – velgmaat – bandenmaat 4J x 15” 4J x 15” 4J x 15” 4J x 15” 4J x 15” 4J x 15” 4J x 15” 4J x 15” T125/80 R15” 95M T125/80 R15” 95M T125/80 R15” 95M T125/80 R15” 95M T125/80 R15” 95M T125/80 R15” 95M T125/80 R15” 95M T125/80 R15” 95M – bandenspanning in bar (kg/cm2) 4,2 4,2 4,2 4,2 4,2 ...
  • Page 263

    VERKLARING VAN DE CODERING OP DE BANDEN Hieronder wordt de codering van de banden, die op de banden zijn aangebracht, aangegeven en de betekenis van de codering. De codering kan één van de twee hieronder aangegeven vormen hebben. Bijv: 205/55 R 16 91 W of 205/55 ZR 16 205 = Nominale breedte (afstand in mm tussen de flanken). 55 = Hoogte/breedte-verhouding (percentage). R = Radiaalband. ZR = Radiaalband voor snelheden boven 240 km/h. 16 = Diameter van de velg (in inch). 91 = Beladingsindex (draagvermogen), bijv. 91 = 615 kg. Niet bij ZR-banden. W, Z = Snelheidsindex. Bij ZR-banden bevindt snelheidsindex Z zich voor de R. Draagvermogen 60 = 250 kg 61 = 257 kg 62 = 265 kg 63 = 272 kg 64 = 280 kg 65 = 290 kg 66 = 300 kg 67 = 307 kg 68 = 315 kg 69 = 325 kg 70 = 335 kg 71 = 345 kg 72 = 355 kg 73 = 365 kg 74 = 375 kg 75 = 387 kg 76 = 400 kg 77 = 412 kg 78 = 425 kg 79 = 437 kg 80 = 450 kg 81 = 462 kg 82 = 475 kg 83 = 487 kg 96 = 710 kg 97 = 730 ...
  • Page 264

    ACCESSOIRES MONTEREN Voor de Alfa 156 zijn specifieke en exclusieve accessoires ontworpen die goed harmoniëren met de stilistische aspecten van de Alfa 156. Deze accessoires sluiten niet alleen perfect aan bij de vormgeving van de auto maar zijn ook handig en functioneel onder alle gebruiksomstandigheden van uw Alfa 156. Zo heeft Alfa Romeo, om het sportieve karakter van de Alfa 156 te benadrukken, lichtmetalen velgen, met leer beklede sturen, pookknoppen en leren stoelbekleding ontworpen die goed passen bij het design van de auto, en waarmee een persoonlijk en sportief accent wordt aangebracht. Voor het veilig vervoeren van uw kinderen is er in het Alfa Romeo Lineaccessori-programma een reeks kinderzitjes opgenomen, die voldoen aan de strengste Europese normen. U vindt alle leverbare accessoires terug in de speciale catalogus bij uw Alfa Romeo-dealer, die ook uw eventuele vragen op dit gebied kan beantwoorden. Op de volgende pagina’s zijn schema’s en beschrijvingen opge ...
  • Page 265

    TREKHAAK De buitenste verstevigingsplaat (5) moet een minimale dikte hebben van 5 mm. TREKHAAK MONTEREN (fig. 1) De bevestigingspunten (1) moeten voorzien zijn van vulstukken met een diameter van 25 mm en een dikte van 6 mm. In het onderstaande schema zijn de bevestigingspunten voor de trekhaak op de carrosserie aangegeven. Deze bevestigingspunten moeten onveranderd blijven, ongeacht de vorm en de afmetingen van de trekhaak. Voor de mechanische verbinding tussen de trekhaak en de aanhanger moet gebruik worden gemaakt van: – een kogeltrekhaak klasse 2, model “ISO 50” (tab. CUNA NC 138-40; – een aanhangerkoppeling klasse 2, model “CUNA 502” (tab. CUNA NC 43840). De trekhaak moet op de punten aangegeven met bevestigd worden met in totaal 4 M8-bouten en 7 M10-bouten. Ø BELANGRIJK Het is verplicht om op dezelfde hoogte als de trekkogel een (goed zichtbaar) plaatje van voldoende afmetingen en kwaliteit aan te brengen met de volgende tekst: MAX. GEWICHT OP ...
  • Page 266

    P4U00245 Bestaande gaten Bestaande gaten Gedeelte A-A Volbeladen auto Bestaande gaten 2 M10-bouten 3 M10-bouten 2 M10-bouten 4 M8-bouten Hart trekkogel fig. 1 265 ...
  • Page 267

    P4U00246 SCHEMA VAN DE ELEKTRISCHE AANSLUITINGEN(fig. 2) 1. Richtingaanwijzer linksachter 2. Linker achterlicht 3. Remlichten 4. Accu 5. Zekering 6. Stekker tussen kabelbundel achter en kabelbundel in bagageruimte 7. Mistachterlicht 8. Rechter achterlicht 9. Richtingaanwijzer rechtsachter 10. Regeleenheid aanhangerverlichting 11. 7-polige stekkerdoos 12. Massa-aansluiting Kleurcodering kabels fig. 2 266 A - Lichtblauw N - Zwart G - Geel R - Rood M - Bruin V - Groen ...
  • Page 268

    BEVESTIGINGSPUNTEN ALLESDRAGER De auto is voorbereid voor de montage van allesdragers. Verdeel de lading gelijkmatig en houd tijdens de rit rekening met een verhoogde zijwindgevoeligheid. P4U00247 De speciaal voor de auto ontworpen allesdragers moeten bevestigd worden aan de pennen (A-fig. 3) onder het afdichtrubber, zoals afgebeeld. Controleer na enkele kilometers opnieuw of de bevestigingsbouten nog goed vastzitten. Houdt u zorgvuldig aan de wettelijke bepalingen betreffende de maximale afmetingen. fig. 3 267 ...
  • Page 269

    ...
  • Page 270

    ALFEBETISCHE INDEX Aansteker . . . . . . . . . . . . . . . . 113 ABS (antiblokkeersysteem) - Algemene aanwijzingen . . . . . 139 - Werking . . . . . . . . . . . . . . . . 122 Accessoires monteren . . . . . . . . . 263 Accu . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 209 - Niveau elektrolyt (accu met optische hydrometer) . . . . . . . . . . . . . 210 - Opladen . . . . . . . . . . . . . . . . 211 - Starten met hulpaccu . . . . . . . 174 - Tips voor een lange levensduur . 212 Achterklep (SW) . . . . . . . . . . . . 224 - Sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . 225 Achterruitsproeier . . . . . . . . . . . . 224 Achterruitsproeier (SW) - Inschakelen . . . . . . . . . . . . . . 223 - Wisserblad vervangen . . . . . . . 223 Achterruitverwarming . . . . . . . . .24-79-84 Achterruitwisser (SW) . . . . . . . . . 223 Achteruitkijkspiegel . . . . . . . . . . 16-46 Achteruitrijlichten - Gloeilamp vervangen . . . . . . .161-235 Achterwielophanging (automatische ...
  • Page 271

    - Inhoud . . . . . . . . . . . . . . . . .248-249 Kofferdeksel/achterklep sluiten 119-225 Omkeerbare vloerbedekking (SW) 226 Opbergvakken (SW) . . . . . . . . 227 Openen . . . . . . . . . . . 24-89-118-224 Openen met afstandsbediening . . . . 25-118-225 - Stekkerdoos . . . . . . . . . . . . . 227 - Vergroten (SW) . . . . . . . . . . . 231 - Verlichting . . . . . . . . . . . . . . .119-227 Bagageruimteverlichting - Beschrijving . . . . . . . . . . . . . . 118 - Gloeilamp vervangen . . . . . . .167-238 Bagageruimteverlichting (SW) - Gloeilamp vervangen . . . . . . . 238 Banden en velgen . . . . . . . . . . .141-260 - Band/velgtypen . . . . . . . . . . 260 - Bandenspanning . . . . . . . . . .143-261 - Lekke band . . . . . . . . . . . . . .152-235 - Slijtage . . . . . . . . . . . . . . . . . 143 - Sneeuwkettingen . . . . . . . . . . 144 - Tips . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 141 - Verklaring van de codering . . . . 262 - Verwisselen . . . . . . . ...
  • Page 272

    Elektrische ruitbediening - Achterportieren . . . . . . . . . . . 22-48 - Voorportieren . . . . . . . . . . . . . 22-48 Elektrische installatie - Technische gegevens . . . . . . . . 251 Elektronisch diefstalalarm . . . . . . 13-34 Elektronische regeleenheden . . . . 213 Emissiereductiesystemen . . . . . . 147 EOBD (motormanagementsysteem) 124 Extra accessoires . . . . . . . . . . . . 150 Gereed voor vertrek ......... 9 Gereedschappen . . . . . . . . . . . .154-235 Gewichten van de auto . . . . . . .248-249 Gloeilamp achter vervangen . . . .161-236 Gloeilampen vervangen - Algemene aanwijzingen . . . . . 156 - Gloeilamptypen . . . . . . . . . . . 156 Gordelspanners op de veiligheidsgordels 57 Grootlicht - Gloeilamp vervangen . . . . . . . 158 - Inschakeling . . . . . . . . . . . . . 64 Grootlichtsignaal . . . . . . . . . . . . 65 Handgrepen . . . . . . . . . . . . . .111-233 Handremhefboom . . . . . . . . . . . 92 Hendels aan het stuur . . ...
  • Page 273

    Koplampverstelling . . . . . . . . . . 92 Koppeling - Olieniveau controleren en bijvullen 204 - Technische gegevens . . . . . . . . 257 Krik - Gebruik . . . . . . . . . . . . . . . . .154-235 - Opmerkingen . . . . . . . . . . . . . 152 Lak (onderhoud) ........... 216 Lambdasonde . . . . . . . . . . . . . . 130 Lampen vervangen . . . . . . . . . . . 156 Lichtsterkteregeling instrumentenpaneel 91 Luchtfilter controleren en vervangen 206 Luchtrecirculatie - Met airconditioning . . . . . . . . . 83 - Zonder airconditioning . . . . . . . 79 Luchtroosters . . . . . . . . . . . . . . 77-78 Luidsprekers . . . . . . . . . . . . . . . 126 Mechanische versnellingsbak - Oliepeil controleren en olie verversen 198 - Technische gegevens . . . . . . . . 257 - Versnellingspook . . . . . . . . . . 93 Milieu (bescherming) . . . . . . . . 129 Ministeriele goedkeuring . . . . . . . 38-279 272 Mistachterlicht - Gloeilamp vervangen . . . . . . .161-235 - Insc ...
  • Page 274

    Niveau olie stuurbekrachtiging controleren en bijvullen . . . . . . 203 Niveaus controleren, bijvullen en verversen . . . . . . . . . . . . . 189 Noodgevallen . . . . . . . . . . . . . . 151 Noodstart - Algemene aanwijzingen . . . . . 134 - Lege accu . . . . . . . . . . . . . . . 174 - Startblokkering . . . . . . . . . . . 32 Nummerplaatverlichting (gloeilamp vervangen) . . . . . .162-237 - Jaarlijks inspectieschema . . . . . 186 Onderhoud van de auto . . . . . . 181 Onderhoudsschema . . . . . . . . 184 Voorzorgsmaatregelen en waarschuwingen . . . . . . . . . . 182 Onderhoudsschema . . . . . . . . . . 184 Ontdooien-Ontwasemen - Achterruit . . . . . . . . . . . . . . .24-80-84 - Buitenspiegels . . . . . . . . . . . . 47 - Voorruit en zijruiten . . . . . . . . 81-86 Ontwasemen-Ontdooien - Achterruit . . . . . . . . . . . . . . .24-80-84 Olie automatische versnellingsbak Q-System - Buitenspiegels . . . . . . . . . . . . 47 - Niveau controleren . . ...
  • Page 275

    Prestaties van de auto . . . . . Punten waar de auto opgekrikt mag worden . . . . . . . . . . 255 177 Radiozendapparatuur en mobiele telefoon . . . . . . . . . . 150 Reinigen en onderhoud - Carrosserie . . . . . . . . . . . . . . 215 - Interieur van de auto . . . . . . . 217 - Kunststof delen . . . . . . . . . . . 218 - Leren bekleding . . . . . . . . . . . 218 - Motorruimte . . . . . . . . . . . . . 218 - Ruiten . . . . . . . . . . . . . . . . . 217 - Stoffen bekleding . . . . . . . . . . 218 Reinigen . . . . . . . . . . . . . . . . . . 217 Relais - In dashboardkastje . . . . . . . . . 170 - In de motorruimte . . . . . . . . . 171 Rem-/koppelingsvloeistof - Niveau controleren en bijvullen . 204 Rembekrachtiger . . . . . . . . . . . . 139 Remlichten - Gloeilamp vervangen . . . . . . .161-236 Remmen - Handrem . . . . . . . . . . . . . . . . 92 274 - Opmerkingen . . . . . . . . . . . . . 138 Rembekrachtiger . . . . . . . . . . 139 T ...
  • Page 276

    - Sleutel met afstandsbediening en uitklapbare metalen baard . . 29 - Sleutel voor uitschakeling diefstalalarm . . . . . . . . . . . . .11-14-28 - Start-/contactsleutel . . . . . . . . 11-28 Smeermiddelen (specificaties) . . 258 Sneeuwkettingen . . . . . . . . . . . 144 Snelheidsmeter . . . . . . . . . . . . . 70 Specificaties . . . . . . . . . . . . . . . 250 Spiegelverlichting - Beschrijving . . . . . . . . . . . . . . 112 - Gloeilamp vervangen . . . . . . . 165 Stadslicht - Gloeilamp achter vervangen . . .161-236 - Gloeilamp voor vervangen . . . . 159 - Inschakelen . . . . . . . . . . . . . . 64 Start-/contactslot en stuurslot . . . 15-39 Startblokkering (Alfa Romeo CODE) 11-28 Starten met een hulpaccu . . . . . . 174 Stekkerdoos (SW) . . . . . . . . . . . 227 Stuurbekrachtiging - Belangrijke aanwijzingen . . . . . 140 - Oliepeil controleren en bijvullen 203 Stuurinrichting - Hendel stuurwielverstelling . . . 18-46 - Technische gegevens . . . ...
  • Page 277

    Verwarming en ventilatie . . . . . . . Verwarming voorstoelen . . . . . . . Vloeistoffen (specificaties) . . . . . Volumetrische beveiliging . . . . . . Voordat u wegrijdt . . . . . . . . . . . Vullingstabel - Technische gegevens . . . . . . . . 78 43 258 37 135 250 Waarschuwings-/controlelampjes 76 Waarschuwingsknipperlichten - Inschakelen . . . . . . . . . . . . . . 23-90 Wegwijs in uw auto . . . . . . . . . . 27 Wiel verwisselen . . . . . . . . . . . . 153 Wielen - Balanceren . . . . . . . . . . . . . . 143 - Praktische tips . . . . . . . . . . . . 141 - Sneeuwkettingen . . . . . . . . . . 144 Wieluitlijning . . . . . . . . . . . . . .143-257 Winter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 138 Wisserbladen ruitenwisser - Tips . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 140 - Wisserblad vervangen . . . . . . . 214 276 Zekeringen en relais - Algemene aanwijzingen . . . . . 168 Hoofdzekeringen . . . . . . . . . . 168 Relais in dashboardka ...
  • Page 278

    277 ...
  • Page 279

    ...
  • Page 280

    AFSTANDSBEDIENING MET RADIOFREQUENTIE: MINISTERIËLE GOEDKEURING Landencode Land Nummer typegoedkeuring A Oostenrijk G131649J CEPT LPD-A B België RTT/D/X1491 CH Zwitserland BAKOM 97.0516.K.P CRO Kroatië LPD-041/97 CY Cyprus MCW 129/95 5/1997 D Duitsland G131649J CEPT LPD-D DK Denemarken ALR 9741/Telestyrelsen E Spanje E D.G./Tel. 07 97 0647 F Frankrijk 970235 PPL 0 FIN Finland FI 97080075 GB Groot Brittannië 12793 GBZ Gibraltar 12000/120AG GR Griekenland EK550 H Hongarije I Italië HB-23879/97 CEPT-LPD I DGPGF/4/2/03/338862/ FO/0002926/29/10/97 279 ...
  • Page 281

    Landencode 280 Land Nummer typegoedkeuring IRL Ierland TRA 24/5/60/31 IS IJsland IS-2623-00 L Luxemburg L2822/10263-01H N Noorwegen NO97000419-R NL Nederland G131649J CEPT LPD-NL P Portugal ICP-044TC-97 S Zweden UE 970090 SLO Slovenië N832/00 ...
  • Page 282

    970235PPLO 23/07/97 SIEMENS B Z T G131 G127 649J 064H E D.G.Tel. 07 97 0647 ministerie van verkeer en waterstaat G131649J 281 ...
  • Page 283

    ...
  • Page 284

    NOTITIES .......................................................................................................................................................................................... .......................................................................................................................................................................................... .......................................................................................................................................................................................... .......................................................................................................................................................................................... .......................................................................................................................................................................................... .................................................. ...
  • Page 285

    .......................................................................................................................................................................................... .......................................................................................................................................................................................... .......................................................................................................................................................................................... .......................................................................................................................................................................................... .......................................................................................................................................................................................... ............................................................ ...
  • Page 286

    .......................................................................................................................................................................................... .......................................................................................................................................................................................... .......................................................................................................................................................................................... .......................................................................................................................................................................................... .......................................................................................................................................................................................... ............................................................ ...
  • Page 287

    .......................................................................................................................................................................................... .......................................................................................................................................................................................... .......................................................................................................................................................................................... .......................................................................................................................................................................................... .......................................................................................................................................................................................... ............................................................ ...
  • Page 288

    MOTOROLIE: 35.000 DESKUNDIGEN ADVISEREN SELENIA De motor van uw auto is door de fabriek afgeleverd met Selenia-olie. Bij de werkplaatsen van het Alfa Romeodealernet kunt u Selenia 20K-motorolie verkrijgen die speciaal is afgestemd op de eisen van uw motor. 35.000 deskundigen in heel Europa adviseren Selenia voor een maximale bescherming en een perfecte werking van uw motor. Zorg dat er geen gebruikte olie in het milieu terechtkomt. UW MONTEUR ADVISEERT SELENIA ...
  • Page 289

    WAAROM SELENIA? De motor van uw auto is in de fabriek gevuld met Alfa Romeo Selenia 20K, de olie voor automobilisten met een sportief hart. Alfa Romeo Selenia 20K is een olie op synthetische basis die voldoet aan de zwaarste internationale eisen, waardoor de geavanceerde technische eigenschappen van uw motor volledig tot hun recht kunnen komen. De olie garandeert optimale prestaties en een maximale bescherming van de motor onder de zwaarste bedrijfsomstandigheden. Een belangrijk aspect daarbij is dat de olie is afgestemd op een gebruiksduur tot 20.000 km (vandaar de naam 20K). Alfa Romeo Selenia 20K is geschikt voor moderne multikleppen-benzinemotoren, met of zonder turbocompressor, en biedt de volgende voordelen: – een maximaal smerend vermogen, ook bij zeer zware thermische en mechanische belastingen; – een optimale werking van de katalysator. – een vermindering van het brandstofverbruik met maximaal 2%. Voor motoren met een hoog specifiek vermogen, die onder uitsproken ...
  • Page 290

    BANDENSPANNING IN KOUDE TOESTAND (bar) Bandenmaat 1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SPARK 2.5 V6 24V 1.9 JTD 2.4 JTD 185/65 R15” 88H 205/55 R16” 89H 185/65 R15” 88V 205/55 R16” 89V 185/65 R15” 88V 205/60 R15” 91V 205/55 R16” 89V 205/60 R15” 91W 205/55 R16” 91W 185/65 R15” 88H 205/55 R16” 89H 185/65 R15” 88V 205/55 R16” 89V – bij geringe belading (2 personen) Voor Achter 2,2 2,2 Voor Achter 2,2 2,2 Voor Achter 2,2 2,2 Voor Achter 2,2 2,2 Voor Achter 2,2 2,2 Voor Achter 2,2 2,2 – bij volle belading 2,5 2,5 Voor Achter 2,5 2,5 Voor Achter 2,5 2,5 Voor Achter 2,5 2,5 Voor Achter 2,5 2,5 Voor Achter 2,5 2,5 Voor Achter Noodreservewiel 4,2 4,2 4,2 4,2 4,2 4,2 Als langdurig met zeer hoge snelheden wordt gereden, moet de bandenspanning met 0,3 bar worden verhoogd. MOTOROLIE VERVERSEN (liter) 1.6 T.SPARK 1.8 T.SPARK 2.0 T.SP ...
  • Page 291

    SERVICE Nr. NL. 604.31.037 - 1e ED. ...



Report abuse

Libble takes abuse of its services very seriously. We're committed to dealing with such abuse according to the laws in your country of residence. When you submit a report, we'll investigate it and take the appropriate action. We'll get back to you only if we require additional details or have more information to share.

Product:

For example, Anti-Semitic content, racist content, or material that could result in a violent physical act.

For example, a credit card number, a personal identification number, or an unlisted home address. Note that email addresses and full names are not considered private information.

Forumrules

To achieve meaningful questions, we apply the following rules:

Register

Register getting emails for Alfa Romeo 156 at:


You will receive an email to register for one or both of the options.


Get your user manual by e-mail

Enter your email address to receive the manual of Alfa Romeo 156 in the language / languages: Dutch as an attachment in your email.

The manual is 3,91 mb in size.

 

You will receive the manual in your email within minutes. If you have not received an email, then probably have entered the wrong email address or your mailbox is too full. In addition, it may be that your ISP may have a maximum size for emails to receive.

The manual is sent by email. Check your email

If you have not received an email with the manual within fifteen minutes, it may be that you have a entered a wrong email address or that your ISP has set a maximum size to receive email that is smaller than the size of the manual.

The email address you have provided is not correct.

Please check the email address and correct it.

Your question is posted on this page

Would you like to receive an email when new answers and questions are posted? Please enter your email address.



Info